Gort met stroop
OVER GESCHIEDENIS EN
VOLKSLEVEN VAN
ï
ZAND VOOR
AAN
MET BIJDRAGEN VAN
ELISABETH BAKELS, W. M. B. BOSMAN,
DR. TJ. W. R. DE HAAN, G. N. DE HEER,
DRS. R. C. HEKKER, DR. G. H. KURTZ,
P. VAN DER MIJE KCZN, C. VARKEVISSER,
ONDER REDAKTIE VAN
DR. TJ. W. R. DE HAAN
MCMLXVIII
KRUSEMAN'S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ N.V.
DEN HAAG
Gort met stroop,
Is dat geen lekker eten?
Gort met stroop,
Is dat geen lekker doop?
Zandvoortse volksdans
Op Zandvoort is het goed te zijn !
Men leeft er vrij en frisch:
Men eet bij lekk're witte wijn
Een kostelijke visch.
Men ziet er heeren hoog van stand
En dames wonder fraai,
En visscherlieden bruingebrand,
Gekleed in roode baai.
Handboekje voor Zandvoort, 1913
Deze uitgave verschijnt onder auspiciën van de Volkskundecommissie
van de Vereniging 'Haerlem' en het Nederlands Volkskundig
Genootschap, als derde deel in de serie 'Stad en Dorp'.
Typografische vormgeving: Aldert Witte
Druk: C. Haasbeek n.v., Alphen aan den Rijn
Bindwerk: L. van Wijk & Zn., Utrecht
© 1968. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of
openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm
of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming van de uitgever.
Ten geleide
'Vertel eens, van toen u nog klein was... toen u nog op school ging...
toen u bij uw eerste baas kwam...' '...En wat deed grootvader toen...
wat zei grootmoeder...?'
Wie kent dit soort vragen niet van zijn kinderen; wie herinnert die
niet van zichzelf uit de eigen jeugd?
Miljoenen keren zijn dit soort vragen gesteld in alle talen, door tel-
kens weer nieuwe generaties, eeuwen en eeuwen lang en zij zullen tel-
kens opnieuw gesteld worden door nieuwe generaties kinderen, overal
ter wereld.
Het is een blijk van het zich vaag bewust worden bij het opgroeiende
kind van het begrip tijd. Het bekende wereldje om hem heen, het heden
is er weliswaar, maar er moet een 'vroeger' zijn geweest.
Hoe was dat 'vroeger'? Hoe zag vader eruit als jongen en moeder als
meisje, wat deden zij toen, wat speelden zij? Waren er in die tijd nog
geen...? Hoe maakten de mensen dan...? Wie hebben... gebouwd?
Konden zij dat toen al? En hoe was het dan in de tijd van grootvader
en van diens vader en diens vader en...?
Wie herinnert zich ook niet de groeiende bewondering en eerbied
voor de prestaties van de mensen die vroeger, zo lang geleden, leefden
en werkten; en hoe het opgeroepen beeld van die wereld van vroeger
allengs duidelijker werd en, met het zelf ouder en volwassener wor-
den, ook betekenis ging krijgen voor het eigen leven.
Hoe het besef groeide, dat allerlei wat vroeger geschiedde en verricht
werd en tot stand kwam ook gebreken en fouten had. Gebreken en
fouten die alleen doordat zij er zijn en gemaakt werden, als zodanig
herkend konden worden en die onszelf kunnen behoeden voor het
maken van dezelfde fouten. En dat wijzelf op onze beurt ook weer
fouten zullen maken.
Dit boekje heeft dunkt mij als voornaamste doel, voor wat Zandvoort
betreft, op vragen zoals hierboven aangegeven te antwoorden. Die
antwoorden geven ook voor Zandvoort een beeld van het leven, het
werken, het lijden en strijden, de vreugden en de moeilijkheden, de
tegenslagen en de successen, de deugden en de gebreken van het voor-
geslacht.
Moge dat beeld het thans levende geslacht doen begrijpen waarom en
waardoor onze samenleving is zoals zij is. Moge het de huidige gene-
ratie doen inzien dat zij wat zij geworden is, dankt aan hetgeen ouders
en voorouders tot stand brachten. Dat die generatie beseffe beheerder
te zijn van wat door hen aan haar is nagelaten en bovenal geïnspi-
reerd worden om aan dat nagelatene voort te bouwen met liefde en
toewijding in het nederig besef dat ook daarbij onvermijdelijk weer
fouten gemaakt zullen worden.
Maar ook een enkel woord over het 'Zandvoort van morgen" mag in
dit hoofdzakelijk retrospectieve boek niet ontbreken.
Het wezen van de gemeente Zandvoort is het zijn van badplaats. Door
de natuurlijke ligging en de daaruit voortvloeiende mogelijkheden is
zij als zodanig tot ontwikkeling gekomen. Aan die ligging en die mo-
gelijkheden heeft Zandvoort in het verleden zijn opkomst en in het
heden zijn betekenis en zijn positie van tweede badplaats van Neder-
land te danken.
Dit betekent dat het belangrijkste middel van bestaan direct en indi-
rect is gelegen in toerisme en recreatie. Dat betekent ook dat de functie
welke Zandvoort aldus vervult uiterst belangrijk is, zowel voor het
overvolle westen van ons land, de zogenaamde randstad Holland, als
voor een deel van het niet minder overvolle westen van Europa.
Die functie is bepalend voor de gehele structuur van de gemeente in
al haar geledingen. Voor de gemeente in bestuursrechtelijke zin even-
zeer als voor de gehele samenleving, welke die gemeente vormt.
Deze in economisch opzicht sterk eenzijdig gerichte ontwikkeling
brengt, behalve onmiskenbaar gunstige perspectieven, ook zeer grote
kwetsbaarheid met zich mede. In feite heeft Zandvoort wel heel veel
op één kaart gezet, met alle risico's van dien. De aard van de be-
drijvigheid in de sector toerisme en recreatie van een badplaats noopt
immers, zowel door particulieren als door de gemeente, tot investerin-
gen, nodig om de grote piekbelasting der bedrijvigheid in het seizoen
te kunnen opvangen. Investeringen, welke nochtans veelal slechts ge-
durende een gedeelte van het jaar, namelijk het seizoen, rendabel kun-
nen zijn. Het zal derhalve volledig afhangen van de bedrijfsuitkom-
sten gedurende de seizoenperiode, of er, over een vol jaar gerekend,
van redelijk rendement sprake zal kunnen zijn. Daarbij komt dat de
seizoenuitkomsten o.a. sterk afhankelijk zijn van de weersomstandig-
heden.
Om het risico èn de kosten verbonden aan de exploitatie van die tak-
ken van bedrijvigheid, welke zich geplaatst zien voor sterke seizoen-
pieken in de lijn hunner bedrijfsactiviteiten, te verminderen, moet ge-
zocht worden naar middelen om die lijn zo gelijkmatig mogelijk te
doen verlopen. Een gelijkmatiger verloop zal uiteraard alleen tot het
beoogde resultaat kunnen leiden door die lijn, welke voor menig be-
drijf gedurende de maanden buiten het seizoen zelfs tot het nulpunt
daalt, zo lang mogelijk op een zo hoog mogelijk niveau te brengen.
Het komt er dus op neer, dat gezocht wordt naar mogelijkheden om
een rendabele exploitatie over langere tijd uit te strekken, met andere
woorden om het seizoen te 'verlengen'. In zijn uiterste consequentie
dus om Zandvoort het gehele jaar door een zo grote aantrekkelijkheid
te geven dat de recreatie-zoekende mens te allen tijde Zandvoort tot
reisdoel zal willen kiezen. Is dit alles louter fantasie? Zal er het gehele
jaar voldoende behoefte aan recreatie bij een voldoende groot aantal
mensen bestaan? Stellig wel! Sedert de invoering van de vrije zaterdag
is het begrip lang week-einde een realiteit voor zeer velen geworden.
In de verdere toekomst zal de werktijdsverkorting door de voort-
gaande mechanisering en automatisering onafwendbaar nog meer vrije
tijd aan de mens laten. De behoefte om die vrije tijd zinvol te be-
steden, zal daardoor bij steeds meer mensen allengs groter worden. De
mogelijkheden om die vrije tijd elders dan thuis door te brengen wor-
den - tengevolge van het nog steeds groter wordende autobezit en de
daarmede gepaard gaande ruimere mobiliteit — ook voor steeds meer
mensen groter. Bovendien treedt de hier geschetste grotere behoefte
en het verlangen tot bevrediging daarvan meer gelijkmatig, nl. van
week tot week, aan de dag.
In de hier omschreven, zich reeds thans aftekenende, ontwikkeling
voor een niet zo verafgelegen toekomst liggen voor Zandvoort grote
mogelijkheden tot 'verlenging' van het seizoen, welke verlenging voor
meerdere bedrijven en in meer branches dan menigeen thans nog voor
mogelijk zal houden, zelfs zal kunnen uitgroeien over het gehele jaar.
Het zal dan echter nodig zijn dat tijdig de nodige maatregelen worden
getroffen om aan de groeiende vraag te kunnen voldoen. Maatregelen
die deels in de particuliere, deels in de overheidssfeer moeten worden
genomen, terwijl in een aantal gevallen sprake zal moeten zijn van
elkander aanvullende en van aan elkander parallel lopende maat-
regelen. Vestiging of stichting van goede attracties voor de badgasten
die in het seizoen hun vakantietijd of vrije dagen aan zee en strand
komen doorbrengen zullen een welkome en ruime afwisseling in hun
vakantiegenoegens moeten kunnen brengen. Diezelfde attracties zul-
len buiten het badseizoen op velen een zodanige aantrekkingskracht
moeten kunnen uitoefenen, dat men gaarne naar Zandvoort zal willen
komen om daar ook tijdens het lange weekeinde te verblijven. De in-
stantie tot bevordering van het vreemdelingenverkeer zal niets onbe-
proefd moeten laten om door goede propaganda in het gehele land èn
daarbuiten zodanige wervingskracht te ontplooien dat de recreatie-
verlangende mens ook buiten het eigenlijke badseizoen een of meer
weekeinden in Zandvoort zal willen doorbrengen.
Het bedrijfsleven zal zich gereed dienen te maken om gezamenlijk een
aantrekkelijke en gevarieerde reeks van mogelijkheden tot ontspan-
ning, verstrooiing, sport en spel te bieden, als noodzakelijk comple-
ment op de van nature reeds aanwezige, doch nog door te weinigen ont-
dekte mogelijkheden tot het maken van verkwikking brengende en
gezondheid bevorderende winterse wandelingen door de duinen en
langs het strand in de zuivere lucht.
Reeds zijn daar de - ook buiten het badseizoen - gasten-aan trekkende
attracties als sauna, sporthal, dolfinarium, verkeerstuin en kinder-
boerderij. Deze reeks kan bijvoorbeeld nog worden uitgebreid met
bowling, manege, overdekt zwembad, overdekte kunstijsbaan. Een
pier met bijbehorende landbebouwing zal mogelijkerwijs eenmaal de
aanwending van zoutwaterbaden bij voldoende temperatuur en van
een solarium binnen het bereik van velen kunnen brengen.
Hotels, pensions en kamerverhuurders zullen dan voldoende accomo-
datie moeten bieden om ook in de herfst-, winter- en vroege voor-
jaarsweken aan de groter wordende vraag te kunnen beantwoorden.
De gehele middenstand zal door toeneming van het aantal branches
de best mogelijke prestaties in goederen en werkzaamheden leveren
;egen redelijke prijzen met de grootst mogelijke persoonlijke aandacht
voor de belangen van de klant met betrekking tot hetgeen geleverd
wordt, zowel vóór, tijdens als na de levering.
De gemeente zal haar taak ten aanzien van de openbare voorzieningen
zien toenemen en voorzien van de nodige goede aan- en afvoerwegen,
opdat men vlot en ongehinderd via een zuidelijke en een noordelijke
randweg onmiddeliijk bij de kust kan komen, zonder belemmerd te
worden en zonder belemmering te veroorzaken op de locale wegen en
straten; randwegen, die samenvloeien op een goede doorgaande oost-
westverbinding via een autoweg van voldoende capaciteit zuidelijk
van de agglomeratie Haarlem-Heemstede naar Amsterdam, het Gooi,
het Utrechtse en West-Duitsland. Er zullen voldoende parkeerplaatsen
moeten komen en er dient tevens een sanering te geschieden van oude
aftakelende dorpsgedeelten, welke getransformeerd zullen moeten
worden tot prettige sfeervolle wandelwijkjes waar de toeristen, terug
van hun uren-in-de-natuur, een weldadige rust zullen ervaren bij een
goede kop koffie of wat anders op een der terrasjes, om daarna nog
eens rond te gaan langs de aantrekkelijke en smaakvolle uitstallingen
der winkels om al keurend hun keuze te maken voor de geschenken-
voor-thuis.
Zo zal Zandvoort in de toekomst zijn waardevolle bijdrage blijven
leveren in de rol, welke als van nature aanwezig is - die van recreatie-
gemeente.
A. NAWIJN
Burgemeester van Zandvoort
Zandvoort nu
Loop der bevolking
De gemeente Zandvoort (oppervlakte 3434 ha, waarvan 25 50 ha duin-
gebied, 337 ha bossen en parken en 66 ha strand) telde op r november
1967 ij. 416 inwoners. In 1900 bedroeg het inwoneraantal 3237 en
het was in 1920 verdubbeld: 6529. In de jaren twintig werd het groei-
tempo hoger en in 1934 werd de 9000 gepasseerd. Een top werd
bereikt in 1941: 980$, maar toen deden de oorlogsomstandigheden
zich gelden. Zandvoort werd grotendeels geëvacueerd en het inwoner-
aantal daalde in 1943 tot 1789. Na de bevrijding kwamen de meeste
geëvacueerden terug. Eind 1945 had Zandvoort al 6957 inwoners en
eind 1946 9179.
De wederopbouw van Zandvoort kwam daarna op gang en de nieuw-
bouw van woningen veroorzaakte een flink vestigingsoverschot. In
1958 steeg het bevolkingscijfer bijvoorbeeld met 607 tot 14.368; sedert-
dien is het groeitempo vertraagd tot ca. 125 inwoners per jaar.
In 1954 maakte het 'Geografisch Instituut' van de Rijksuniversiteit te
Utrecht een prognose van de bevolkingsgroei. Men kwam voor 1970
tot een minimum van 17.123 en een maximum van 18.109. Het ziet
er niet naar uit, dat zelfs dit minimum in 1970 zal worden bereikt.
Woonplaats en badplaats
Een beschrijving van het hedendaagse Zandvoort moet uitgaan van
de dubbele functie van deze gemeente: die van badplaats en van
woonplaats.
De sloping die in de jaren 1942 tot 1944 op last van de bezettende
overheid plaats vond, is nu nog merkbaar in de aanblik van de
badplaats-sector. Onder de slopershamer vielen 36 hotels en pensions
met 1719 bedden. Door nieuwbouw en door vergroting van bestaande
bedrijven is dit verlies aan beddencapaciteit weer gecompenseerd.
Het hotel 'Bouwes', het 'Strandhotel' en 'Bouwes-Palace' zijn markante
punten in Zandvoort. Het in aanbouw zijnde hotel 'Rotonde' zal in
dit opzicht een welkome aanvulling zijn. Toch vertoont het zeefront
nog enkele storende hiaten. Namelijk het onbebouwde terrein voor de
Van Lennepweg, bestemd voor een meer massale bebouwing, aan-
sluitende op de daarvóór geprojecteerde wandelpier. Voorts is het
Boulevard-centrum, waarvan 'Bouwes-Palace' deel uitmaakt, nog niet
voltooid. Het riant geprojecteerde Van Fenemaplein, kan daardoor
nog niet verwezenlijkt worden.
Na de visafslag. (Gemeentearchief, Haarlem)
Zo biedt de badplaats - van zee uit gezien - nog een onvolkomen
beeld, hetwelk er toe leidt dat de royaal aangelegde Boulevards nog
niet de gezelligheid en beschutting bieden die men in een badplaats
van de betekenis van Zandvoort mag verwachten.
De woonplaats Zandvoort is de gevolgen van de sloping ruimschoots
teboven. Werden er 734 woningen gesloopt, in de jaren 1947 tot en
met 1966 werden 25^8 woningen gebouwd. De statistische woning-
voorraad bedroeg op 31 december 1966 4802 woningen. De bebouwde
kom onderging dientengevolge zowel in 'Zuid' als in 'Noord Oost' een
sterke uitbreiding.
Deel uitmakende van de Randstad Holland en regionaal behorend tot
Zuid-Kennemerland, is Zandvoort als woonplaats buitengewoon in
trek. Werden geen planologische beperkingen opgelegd, Zandvoort
zou in een snel tempo uitgroeien tot een gemeente met een stedelijk
karakter en daardoor veel verliezen van wat juist zo karakteristiek
dorps is en de grote aantrekkingskracht vormt voor toeristen, maar
ook voor de inwoners.
Uitbreiding bebouwing
Dit is vooral het geval met het 'oude dorp', begrensd door de Zee-
straat, de Haltestraat en de Hogeweg. Het Gasthuisplein en het
Schelpenplein zijn de kernen van typisch oud-Zandvoortse bebouwing.
Helaas is de kwaliteit van de kleine huisjes meestal onvoldoende.
Herhaaldelijk moet tot onbewoonbaar-verklaring worden overgegaan.
10
Strandfeest in 1906. (Gemeentearchief, Haarlem)
Het verkrottingsproces doet de mensen naar de nieuwe wijken ver-
huizen. Teneinde te voorkomen dat dit hart van het dorp nog verder
in verval geraakt, bereidt het gemeentebestuur een verantwoorde
sanering van deze dorpskernen voor. De omgeving van het Gasthuis-
plein zal het eerst ter hand genomen worden.
In het begin van deze eeuw breidde de dorpsbebouwing zich uit tot
ongeveer de Koninginneweg en de Brederodestraat. In de jaren twintig
werd die grens verlegd tot de Kostverlorenstraat, werden de boule-
vards bebouwd en kwam er een aanzet van de volkswoningbouw
over de spoorlijn, het zogenaamde Plan-Noord. Deze wijk heeft zich
na 194$ sterk ontwikkeld. Er werden daar ruim 1000 woningen ge-
bouwd; met een zielental van 3700 is in deze wijk een kwart van de
Zandvoortse bevolking gehuisvest. Het bestemmingsplan voorziet
daar nog in de bouw van 750 woningen, een winkelcentrum, kerke-
lijke gebouwen en scholen. Meer luxebouw kwam tot stand in Zand-
voort-zuid tussen de Brederodestraat en de Frans Zwaanstraat - Cort
van der Lindenstraat. Een bestemmingsplan voor het duinterrein,
grenzende aan laatstgenoemde straten, is in voorbereiding.
Bentveld
Een beschrijving van Zandvoort zou niet volledig zijn, als de buurt-
schap Bentveld niet werd genoemd. Een gematigd zeeklimaat maakt
11
het daar prettig wonen. Lommerrijke lanen, een bebouwing met riante
villa's en woningen, welverzorgde tuinen en gazons geven dit stukje
Zandvoort een eigen sfeer. Grenzend aan Aerdenhout, heeft Bentveld
toch een eigen karakter gekregen. Zandvoort zou dit stuk van zijn
territoir (niet van grote omvang, nl. 51 ha met 275 woningen en
8jo inwoners) niet willen missen. Hoewel zij enkele kilometers buiten
Zandvoort wonen, leveren de Bentvelders op hun wijze een welkome
'inbreng' in de Zandvoortse dorpsgemeenschap.
Autochtone bevolking
Een beschouwing over de Zandvoortse bevolking moet beginnen met
de autochtone Zandvoorters. Daartoe worden gerekend degenen, die
in de mannelijke lijn afstammen van de 700 inwoners die Zandvoort
telde, toen in het begin van de 19e eeuw de overgang van vissersdorp
naar badplaats een aanvang nam. Het betreft hier 48 geslachten die
in 1954 met 2641 personen 22% van de bevolking van Zandvoort
(12.038) omvatten. In 1967 vormen zij een groep van 2550 personen
of 16,5 % van de totale bevolking van 15.416 zielen. De autochtonen
met de naam Koper vormen met 304 personen de grootste groep,
gevolgd door Paap (284), Keur (201), Molenaar (138) en Van der
Mije met 106 personen. In 1900 waren 6 van de 7 Zandvoortse raads-
leden 'autochtonen', in 1939 4 van de 13 en in 1967 3 van de 17.
Van de 2550 autochtonen is het merendeel Nederlands Hervormd, na-
melijk 1633 of 64.4 %; voorts 521 onkerkelijk (20.4 %) 367 Rooms
Katholiek (14.3 %) 13 Gereformeerd (0.4 %) en behoren 16 (0.5 %)
tot de overige gezindten.
Deze percentages wijken belangrijk af van die van de gehele Zand-
voortse bevolking (zie blz. 10).
Op 1 november 1967 is een beroepstelling van de mannelijke autoch-
tone bevolking gehouden. Hieruit bleek dat zij overwegend in onder-
geschikte functies werkzaam is, namelijk 640 van de 742. 302 van de
autochtone Zandvoorters werkten in het bouwbedrijf; 87 in de metaal-
nijverheid; 54 in de voedings- en genotmiddelenindustrie; 21 voeren
ter koopvaardij. Het oud-Zandvoortse beroep van visser wordt bij-
kans niet meer beoefend: er werden slechts 5 vissers genoteerd en dat
waren nog schelpenvissers! De binding met de zee blijkt uit het be-
trekkelijk grote aantal vishandelaren: 16.
Het aandeel van de autochtone Zandvoorters in de horecasector is
geringer dan men zou verwachten. Zij zijn uiteraard op het strand het
sterkst vertegenwoordigd, doch hebben daar geen overheersende posi-
tie: 14 van de 32 strandbedrijven zijn in handen van autochtonen.
Van de 1 1 1 verloven en vergunningen ingevolge de Drankwet staan
er 21 op naam van autochtone Zandvoorters; 13 autochtonen zijn als
kelner werkzaam.
Vrij sterk is de groep van onderwijzers, ambtenaren en kantoorbedien-
12
Strandleven omstreeks 1890. (Verz. G. N. de Heer).
den, namelijk 87. Het gemeentepersoneel, 260 man sterk, telt 55
autochtonen.
Ondanks hun afnemende numerieke betekenis zijn de autochtonen, de
Kopers, de Papen, de Keuren, de Molenaars en de Van der Mije's niet
uit het bevolkingsmozaïek van Zandvoort weg te denken. Het ras-
echte Zandvoorterschap doet zich hier gelden. Gehard door het zorge-
lijk bestaan van vroegere generaties, uit de dorpse bekrompenheid
gelicht door de omgang met badgasten in huis (gemeubileerde ver-
huur) en daarbuiten (seizoenbedrijf, vooral op het strand) hebben de
Zandvoorters, eenvoudig en vriendelijk van aard, breedheid en ge-
makkelijkheid in de omgang verkregen; karaktereigenschappen die
soms naar een zeker opportunisme neigen.
De invloed van de autochtone kern doet zich uiteraard ook gevoelen
in de mentaliteit van de overige bevolking. Deze invloed is het sterkst
in de families die aan de autochtonen verwant zijn. (Van de 756
gehuwde mannen zijn er thans 524 met een niet-autochtone vrouw
gehuwd) en in mindere mate op de grotere categorie der niet-autoch-
tone bevolking die reeds van kindsbeen af in Zandvoort woont. Rond
deze brede kern bevindt zich de massa die niet te Zandvoort is ge-
boren, maar zich daar metterwoon heeft gevestigd. Zij vond haar
woning in de uitbreiding van de oude dorpskern en in de uitbreidings-
plannen 'Zuid' en 'Noord-Oost', de villa's en de flats aan de boule-
vards en de buurtschap Bentveld.
13
Gedifferentieerde bevolking
De hiervoren aangegeven differentiatie van de Zandvoortse bevolking
wordt nog versterkt door de verscheidenheid in levensbeschouwelijk
opzicht. Volgens het bevolkingsregister is 36,5 % van de Zandvoorters
Nederlands-Hervormd, 28,7% onkerkelijk, 24% Rooms-Katholiek,
4% Gereformeerd en behoort 6,8% tot de overige gezindten.
Zandvoort kent een bloeiend verenigingsleven. In de gids voor nieuwe
inwoners komt een lijst voor met de namen van 109 verenigingen en
3 1 comité's en commissies.
Toch is naar mijn oordeel, gemeenschapszin niet de sterkste kant van
het Zandvoortse volkskarakter. Individuele en groepsbelangen spre-
ken het sterkst aan. Dit verschijnsel is kenmerkend voor de gehele
Zandvoortse bevolking, autochtonen, semi-autochtonen en 'vreemd 5 .
Bij de gemeenteraadsverkiezingen komen vanouds in Zandvoort
plaatselijke groeperingen naar voren onder namen als 'Zandvoorts
belang', 'Algemeen Zandvoorts belang' e.d. en ook wel met 'persoon-
lijke' lijsten. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1966 verwierven
de op politieke en levensbeschouwelijke beginselen gebaseerde poli-
tieke partijen 70 % van het totaal aantal geldige stemmen en de min
of meer opportunistisch ingestelde groeperingen (waartoe ik ook de
Boerenpartij reken) 30%. Deze groeperingen bezetten thans 6 van
de 17 zetels in de Zandvoortse gemeenteraad. In 1939 4 van de 13 en
in 1946 3 van de 15. Zoals reeds gezegd: bij de Zandvoortse ge-
meenteraadsverkiezingen spelen de plaatselijke groeperingen al van-
ouds een rol, maar de laatstgenoemde verkiezingsuitslag wijst op een
versterking van deze tendens.
De verscheidenheid van levensbeschouwelijke en politieke opvattingen,
waardoor men in Zandvoort slechts meer of minder sterke minder-
heden aantreft, hebben evenwel niet die splijtende werking die elders
soms kleinere gemeenschappen verscheurt. In het persoonlijke vlak
overheersen verdraagzaamheid en respect voor de opvattingen van de
medeburgers. Dit positieve aspect biedt bijvoorbeeld aan de oecume-
nische beweging goede kansen, die tot dusver door degenen die leiding
geven op godsdienstig terrein met voorzichtigheid en takt worden
aangewend.
Toerisme
De functie van Zandvoort als badplaats en het feit dat het toerisme
de enige belangrijke 'industrie' is, rechtvaardigen een nadere beschou-
wing, waarin uiteraard ook de strandexploitatie zal worden betrokken
en het circuit, de enige sportakkomodatie van deze aard in ons land.
De betekenis van het toerisme voor Zandvoort kan men afleiden uit
de logiescapaciteit. In de hotels zijn rond 1200 bedden beschikbaar
14
en in de pensions 1400. De gemeubileerde verhuur door particulieren
omvat ruim 9000 bedden.
Deze logiesvorm heeft de laatste jaren een verandering ondergaan.
Bestond deze vroeger uit het permanent verhuren van de gehele wo-
ning of een deel daarvan, allengs ging men meer en meer over tot
het verstrekken van logies met ontbijt. Had men vroeger 'gasten', in
de volksmond worden de logé's nu 'slapers' genoemd, die na het
ontbijt het huis verlaten en hun vertier zoeken in de badplaats of
elders, en daar ook hun maaltijden gebruiken. Deze wijziging van het
gedragspatroon van de gasten heeft in Zandvoort een groot aantal
eethuisjes e.d. doen ontstaan om maar niet te spreken van de patates-
frites bedrijven en het daaruit voortvloeiende nuttigen van dit voedsel
op straat. Dit gebruik geeft de dorpskern in de zomer — zachtjes
gezegd - een wat rommelige aanblik.
Sedert 1952 kent Zandvoort ook het sociaal toerisme. Op de kam-
peer- en cara van terreinen is thans plaats voor 2000 tenten en caravans,
met een opnamecapaciteit van 7000 personen. Een bijzondere plaats
neemt daarnaast het tentenkamp op het noordelijk strandgedeelte in.
Daar verblijven bijna 700 forensen-kampeerders uit Amsterdam en
Haarlem met hun gezinnen gedurende de gehele zomer en boeken
± 240.000 overnachtingen. De totale opnamecapaciteit van Zand-
voort kan gesteld worden op 22.000 personen. In 1966 kwamen rond
100.000 gasten naar Zandvoort met in totaal 1.200.000 overnach-
tingen. Een toename van 20%, sedert 1960, toen 1. o 16. 400 over-
nachtingen werden geregistreerd.
Een verdeling van de overnachtingen naar logiesvorm geeft het vol-
gende beeld:
hotels en pensions 15 %
gemeubileerde verhuur 33 %
kampeerterreinen 34i %
strandtentenkamp 1 j\ %
Het sociaal toerisme omvat dus meer dan de helft van de logies-
verstrekking in Zandvoort.
In hoeverre beïnvloedt het buitenlands bezoek de badplaats-exploi-
tatie? De buitenlanders nemen ongeveer 37% van het totaal aantal
overnachtingen voor hun rekening. Duitsers vormen daarvan het
grootste contingent. Dit is niet te verwonderen want van oudsher is
Zandvoort 'in trek' bij de Duitse vakantiegangers. De badplaats heeft
daaraan trouwens mede haar opkomst en huidige betekenis te danken.
Toch is een zekere verschuiving merkbaar. In 1960 waren 90% van
de buitenlandse overnachtingen door Duitsers geboekt, een percentage
dat in 1966 tot 80 was gedaald. Waar het contingent buitenlanders
vrijwel constant bleef, blijkt hier een toenemende belangstelling voor
Zandvoort uit andere landen, met name Skandinavië en Engeland.
Het buitenlands bezoek is verhoudingsgewijs het grootst in de hotels
15
en pensions (87% van de overnachtingen); een vrijwel constant per-
centage.
Opvallend is het toenemend gebruik dat de buitenlanders maken van
de gemeubileerde verhuur door particulieren.
In 1960 waren buitenlanders goed voor 30% van de overnachtingen
bij particulieren; in 1966 was dit percentage gestegen tot 55. Het is
dan ook verklaarbaar dat de verhuurders zich met hun aankondi-
gingen ook tot de buitenlandse gasten richten. Vandaar de bordjes
met 'Zimmer frei' en - in mindere mate - met 'rooms'.
Het aanvankelijk sterk buitenlands accent van de gasten op de kam-
peer- en caravanterreinen nam geleidelijk af, niet zo zeer door ver-
mindering van het buitenlands bezoek, maar voornamelijk doordat
de expansie van deze vorm van vakantiebesteding vrijwel geheel voor
rekening van de Nederlanders kwam. Sedert 1960 daalde het percen-
tage overnachtingen door buitenlanders op deze terreinen van 46
tot 25.
Deze beschrijving van het toerisme in Zandvoort zou niet volledig
zijn indien niet werd vermeld het zeer omvangrijke dagbezoek aan de
badplaats. Op mooie zondagen in het zomerseizoen beloopt dit soms
ruim ioo.ooo personen.
De invoering van de vijfdaagse werkweek stimuleerde ook het dag-
bezoek. De zaterdag doet in dat opzicht voor de zondag niet veel
onder. Een ruwe schatting komt tot een totaal aantal dagbezoekers
in het seizoen 1967 van ruim 2.000.000.
De strandexploitanten, de andere horecabedrijven alsmede een belang-
rijk deel van de middenstand profiteren daarvan uiteraard in hoge
mate.
Tenslotte nog één cijfer om het belang van het toerisme voor Zand-
voort te belichten. Naar een globale schatting werd er in 1967 35 a
40 miljoen gulden door toeristen (gasten en dagpubliek) in Zandvoort
verteerd.
Str ■ andexploitatie
De strandexploitatie is in particuliere handen. Voor het huren van
een perceel strand komen alleen inwoners van Zandvoort in aan-
merking. Aanvankelijk was deze bedrijfstak vrijwel geheel in handen
van de autochtone Zandvoorters. Ook hier doet zich de 'vreemde'
invloed gelden; van de 32 strandbedrijven werden er in 1967 nog 14
gedreven door exploitanten met 'autochtone' namen. Van het negen
kilometer lange Zandvoortse strand is 1538 meter bestemd voor het
strandtentenkamp en 2402 meter door de gemeente verhuurd aan de
strandexploitanten.
Uitbreiding van het voor exploitatie bestemde strandgedeelte wordt
door de gemeente niet toegestaan. De strandhuurders oefenen hun
bedrijf persoonlijk uit, al dan niet geassisteerd door familieleden. Dit
geeft een zekere binding met de bezoekers, die door zoveel mogelijk
16
aan ieders wensen aangepaste service (goede consumpties, hulpvaardig-
heid bij het verhuren van strandstoelen e.d.) wordt bevorderd en -
naast de ligging van het bedrijf - van grote invloed is op de bedrijfs-
resultaten.
Deze eigen sfeer op het Zandvoortse strand is van groot belang voor
de naam van Zandvoort als toeristenoord met een eigen charme. De
intensiteit van dit op betrekkelijk klein oppervlak uitgeoefende bedrijf
blijkt uit de cijfers. In 1966 werden aan ruim een half miljoen per-
sonen strandstoelen verhuurd en in de mooie zomer van 1967 560.000,
met een opbrengst van respectievelijk / 603.000— en ƒ 675.000,—.
Daar komt nog bij de verkoop van consumpties in de tenten en op
het strand.
Circuit
Meer nog dan door zijn functie van badplaats heeft Zandvoort
were/Jvermaardheid gekregen door zijn circuit voor snelheidswed-
strijden.
Dit circuit dankt zijn ontstaan aan verschillende factoren. In het
kader van het streven naar toeristische attracties organiseerde de ver-
enigingvoor vreemdelingenverkeer in de jaren dertig motorwedstrijden
op een stratencircuit en op 3 juni 1939 werden in Zandvoort (en voor
het eerst in ons land) autoraces gehouden. Het bleek toen dat voor
dergelijke wedstrijden niet de openbare wegen konden worden ge-
bruikt. De voor publiek en coureurs noodzakelijke veiligheidsmaat-
regelen konden alleen in behoorlijke mate worden getroffen als een
geheel vrijliggend circuit werd aangelegd. De gelegenheid daartoe
deed zich voor, toen de gemeente in 1939 100 ha duinterrein aankocht
om dit te bestemmen voor sport en recreatie. Hierop werd een ruim
4 km lang circuit uitgezet. In de oorlogsjaren werd daarop, in werk-
verschaffing, een aardenbaan aangelegd en de van de sloping van
Zandvoort afkomstige enorme hoeveelheid puin werd voor de fun-
dering van de racebaan gebruikt. De aanleg van de baan met accomo-
datie kostte de gemeente Zandvoort een miljoen gulden. Op 8 augustus
1948 werd het circuit geopend met wedstrijden, georganiseerd door
de British Racing Drivers Club. In 1949 organiseerde de Koninklijke
Nederlandse Automobielclub autoraces om de grote prijs van Zand-
voort en in 1950 om de Grote Prijs van Nederland. De toenemende
betekenis van het Zandvoortse circuit blijkt ook uit het feit dat de
autoraces om de 'Grote Prijs' sedert 1952, met een tiental andere
geselecteerde wedstrijden in het buitenland, meetellen voor het wereld-
kampioenschap voor coureurs en in 1959 het predicaat 'Grande
Epreuve' verwierven.
Is de dag waarop de 'Grand Prix' verreden wordt de hoogtijdag van
de circuitexploitatie, nog talrijke andere wedstrijden worden daarop
gehouden. De Nederlandse Autorensport Vereniging organiseert natio-
nale en internationale sportwagenraces, de Koninklijke Nederlandse
17
Motorrijders Vereniging motorraces en de Koninklijke Nederlandse
Wielrenunie wielerwedstrijden om nationale titels (in 1959 de wereld-
kampioenschappen voor amateurs en beroepsrenners).
In 1958 werden de wedstrijden op het circuit bezocht door 1 10.361
betalende bezoekers, in 1967 door 150.562. Voor de autoraces waren
deze cijfers 77.215 en 121.880, voor motorraces 22.385 en 25.014 en
voor wielerwedstrijden 10.761 en 3.668. Uit deze cijfers blijkt duide-
lijk de toenemende popularisering van de auto-rensport. Een tendens
die verband houdt met de opkomst van de personenauto als volks-
vervoermiddel. Steeds meer autorijders ('beroeps-' en zondagsrijders)
willen hun eigen rijstijl beoordelen in het licht van de prestaties van
de geselecteerde coureurs die zij op de baan aan het werk zien.
Tot zover het 'Zandvoort-van-heden', waarin ook de tendensen van
het 'Zandvoort-van-morgen' te vinden zijn. Het zwaartepunt voor
de ontwikkeling zal zich vooral in de badplaats-functie van Zand-
voort openbaren. Wat Zandvoort daarvan mag verwachten, wordt
belicht door de burgemeester in het 'Ten geleide' bij deze uitgave.
W. M. B. BOSMAN
18
Geschiedenis van Zandvoort voordat
het badplaats werd
Allereerst vragen wij ons af: hoe oud is het Noord-Hollandse Zand-
voort? In L. Ph. C. van den Berghs Oorkondenboek van Holland en
Zeeland komen weliswaar enige stukken op de naam Santfort (Zant-
vorde, Santvorde, Sandforde) voor, maar de meeste hiervan hebben
betrekking op een andere plaats van die naam, gelegen op Walcheren.
Slechts de schenking (vóór 1120), genoemd in deel 1 nr. 108, waarbij
broeder Godefridus aan het klooster van Egmond voor het zieleheil
van zijn moeder hooiland in Werdingmade bij Santfort geeft, doet
denken aan ons Zandvoort, al is ook hier het andere niet uitgesloten.
Meer houvast hebben wij aan de vermelding in de Rijmkroniek van
Melis Stoke (uitg. W. G. Brill, II, 244), waar sprake is van de landing
van Witte van Haemstede, de natuurlijke zoon van graaf Floris V, in
1304:
Hier binnen est alsoo comen,
Dat her Witte was ghevaren
Uut Sirixe met cleenre scaren;
Met enen scepe ende niet mee
Voer hi buten bi der see
Ende quam an bi Santvoerde.
Zijn doel was te verhoeden dat Kennemerland in handen zou vallen
van graaf Guido van Vlaanderen:
Als men te Haerlem hevet ghehoert
Entie waerheit heeft vernomen,
Dat her Witte daer es comen,
Liept al uut dat lopen mach;
Ende was up enen zonnendach.
Dene bi den anderen, zide an zide,
Tvolc ghinc uut al te stride
In den dunen liepen si jeghen
Recht alse luden pleghen,
De haren here willen zien,
Ende bieten willecome.
Melis Stoke, tijdgenoot van deze gebeurtenissen, vertelt echter niets
over een slag bij het Manpad, die hierop gevolgd zou zijn, en dit is een,
19
van de redenen waarom de historiciteit van die slag in twijfel wordt
getrokken (zie F. W. N. Hugenholtz in Jaarboek Mij. Nederl. Letter-
kunde, 1953-55).
Zandvoort onder de Brederodes
Zandvoort behoorde tot de heerlijkheid Brederode, die weer leengoed
was van het graafschap Holland. De oudste akte in het archief van
Zandvoort (Inventaris Van Doorninck, nr. 1) is dan ook een oorkonde
van 1455 van Reinout heer van Brederode, waarbij deze de privileges
van de schutterij te Zandvoort bevestigt en uitbreidt. Over het op-
treden van Reinouts zoon bericht Zoeteboom het volgende: 'In het
jaer van 1457, toen Claes van Yperen Borgermeester, Gerrit van
Noortwijck Schepen en Aelbrecht van Raephorst Schout van Haerlem
waren, had den edelen heer van Brederode Walraven sijn soon tot
Santvoort in de vergadering aen dese mannen gesonden, om saken van
belang te verrichten, maer sy hebben haer bits en wrevel jegens hem
aengestelt; Walraven, siende wat hem wedervoer, heeft dien smaet in-
gekropt, en daer na sonder weten sijns vaders heeftse by Amersfoort
op een seker tijt onderlopen, en met sijn reysigers haer aengevallen en
gedoot, uytgesondert Gijsbert van Raep-horst (den Schout) die daer
niet by was, en alsoo dit ongeluck niet over en quam.'
De belasting aan hun heer voldeden de Zantvoorters in vis. Zij gaven
hem jaarlijks 'den besten visch die zij aanbrengen van den cabelliou,
naest onser vrouwen visch, ende vier schelvisschen ende acht schollen'.
Toen de Hoeksgezinde heren van Brederode hun kasteel van die
naam in de 15de eeuw verloren, doordat het door de Kabeljauwen
werd verwoest, en zij zich in hun nieuwe gebied Vianen vestigden,
moet de belasting allengs in geld zijn voldaan. De welvaart van de
ambachtsheer ging echter zó achteruit, dat hij in 1487 bij de Zand-
voorters om voldoening van de kosten voor zijn huwelijk moest aan-
kloppen, waartoe hij hun al zijn goederen binnen hun gebied in pand
gaf (Arch. nr. 2).
Intussen hadden ook de Zandvoorters te lijden van binnenlandse twis-
ten en oorlogen. A. J. van der Aa meldt in zijn Aardrijkskundig Woor-
denboek, dat in 1489 kerk en dorp geplunderd werden door het krijgs-
volk van de hertog van Saksen, die gekomen was om het Kaas- en
Broodvolk te tuchtigen. In de Enqueste ende informatie upt stuck der
verpondinghe over de landen van Holland ende Vrieslant van 1494,
wijten de Zandvoorters de achteruitgang van hun dorp niet alleen aan
de pest van het voorafgaande jaar, maar ook aan de dure tijd als ge-
volg van de onlusten, te weten 'tleste oorloge van Kasenbroot dat zy
ghespoliert (geplunderd), ghevangen ende grootelicken gheransoeneert
werden' en ook aan de schattingen voor de oorlogen van Utrecht, Rot-
terdam en Montfoort. Ten tijde van hertog Karel (de Stoute) had
Zandvoort nog 100 haardsteden, maar nu nog maar 50. De visvangst,
hun voornaamste bron van inkomsten, was 'wel deen helft arger. . . dan
20
Zandvoort van de landzijde. Kopergravure van J. Ottens naar R.
Rogbman, omstreeks 1660. (Gemeentearchief, Haarlem)
die ten overlijden van hertoghe Karel'.
Ook in de Informatie up den staet, faculteyt ende gelegentheyt van de
steden ende dorpen van Hollant ende Vrieslant van 15 14, waarin zij
opgeven 76 bewoonde haardsteden te hebben (een kleine vooruitgang
dus), wordt door de Zandvoorters verteld, dat zij 'hem generen met
visschen ter zee' en daartoe 10 pinken hebben en 2 haringschepen, die
te Haarlem thuis behoren. Andere middelen van bestaan waren het
vislopen, dat is visverkopen in Haarlem en omstreken, en later ook de
schelpvisserij. De Aerdenhoutse Schulpweg, waarlangs zij deze waar
vervoerden, dankt hieraan zijn naam. Van landbouw of veeteelt was
echter aanvankelijk geen sprake. Binnen het dorp waren slechts drie
kroften land, waarvan één eigendom van de kerk, tezamen vier mor-
gen groot, die door de duinen onderstoven werden. De visvangst be-
perkte zich hoofdzakelijk tot de kabeljauw en schelvis. Het merendeel
van de bevolking was echter zó arm, dat 'indien zy een maent of twee
sonder tzee te vaeren waeren, zouden om broot moeten gaen'.
Dorpsbestuur en kerk
Het dorpsbestuur bestond, zoals gewoonlijk in ambachtsheerlijkheden,
uit schout en schepenen, die door de ambachtsheer werden benoemd.
Zij oefenden tevens uit naam van de heer de lagere rechtspraak uit,
terwijl de hogere berustte bij baljuw en leenmannen van Brederode.
Volgens de Tegenwoordige staat der Verenigde Nederlanden (deel
VIII) stelde de ambachtsheer toenmaals (midden r8de eeuw) schout en
secretaris aan, de 7 schepenen werden door hem uit een dubbeltal ge-
kozen. Alle bedieningen werden onder goedkeuring van de ambachts-
21
De kerk van Zandvoort met de uitbouw van het familiegraf van
Paulus Loot. Gewasen tekening van omstreeks 1773. (Teylers Museum,
Haarlem)
heer vervuld; alleen voor het ambt van koster was tevens de goed-
keuring van de Kerkeraad nodig. De heer verkreeg toen in plaats van
een bijdrage in natura twee guldens van iedere schuit met vis. Het
recht tot afslag van vreemde vis werd verpacht of ingezameld ten be-
hoeve van de heer. Van hun ambachtsheer Hendrik van Brederode, de
onstuimige strijder tegen de Spaanse plakkaten en een der aanbieders
van het Smeekschrift der Edelen, verkregen de Zandvoortse vissers in
1565 toestemming om zijn wapen op hun schepen te voeren. Het
dorpswapen van Zandvoort wordt echter pas aangetroffen op een
stuk van 161 3, waarbij Schout en Schepenen Jan Dircksz., blijkbaar
de dorpsbode, machtigen om alle loslopende dieren in het dorpsschut-
hok te schutten. In de papieren ruit, die over de reeds verbrokkelde
lak gelegd was bij het afdrukken van het stempel, is nog duidelijk te
zien, dat het bestond uit drie over elkaar geplaatste haringen (niet
door elkaar gestoken). Later (185 1) wordt dit wapen aldus beschre-
ven: op een veld van goud drie kruislings over elkaar liggende haringen
van zilver (Van der Aa, Aardr. Woordenboek). Het diploma van de
Hoge Raad van Adel van 18 17 spreekt daarentegen van drie door
elkaar geplaatste haringen. In 18 17 verkreeg het Zandvoortse wapen
tevens de kleuren van het Nederlandse rijkswapen (goud en lazuur),
nadat het voordien - evenals bijvoorbeeld het dorpswapen van
Spaarndam (drie baarzen onder elkaar) — op heraldisch ontoelaatbare
22
^rr^pawiu
'*&&£&»>&£**
Zandvoort van de landzijde, met de in 1618 deels herstelde kerk. Ets
van Claes Jansz. Visscher (1586I7--16J2). (Gemeentearchief, Haarlem)
wijze goud en zilver had gecombineerd. De Zandvoortse vlag (het
blauw van de zee, het geel van strand en duinen) is van de huidige
wapenkleuren afgeleid.
Zandvoort behoorde kerkelijk oorspronkelijk tot de parochie Haar-
lem, later tot Overveen. De oude, aan de H.H. Agatha en Adriaan ge-
wijde kerk, stond op de plaats van het tegenwoordige Hervormde
bedehuis. Daar kwam oudtijds de pastoor uit Haarlem 's zondags de
dienst doen, maar al vóór 1514 woonde een onderpastoor in het dorp.
Er waren toen 200 communicanten.
De Hervorming drong vroeg door tot Zandvoort, want al op 3 april
1531 vaardigde de Haarlemse stadsregering het gebod uit, 'dat geen
inwoonders of poorters tot Santvoort sullen gaen hooren prediken,
doordien veel questen komt overt seggen: gy papisten en andere woor-
den' (Index op de Keur- en gebodsregisters der stad Haarlem). Er
waren te Zandvoort dus blijkbaar hagepreken, die door Haarlemmers
werden bezocht, maar het verbod werkte niet veel uit, want het moest
op 30 april 1532 worden herhaald. Tenslotte zegevierde de Hervor-
ming en in 1586 kreeg het dorp een eigen predikant, ds. Johannes
Marcus (overleden 161 1).
Achteruitgang
In 1533 telde Zandvoort 171 huizen. In 1622 bleken er bij een volks-
*3
telling j$6 inwoners te zijn, terwijl in 1632 148, in 1722 slechts 92
(met 626 inwoners) en in 1732 nog maar 89 huizen in het Verpon-
dingskohier voorkwamen. Deze achteruitgang van de bevolking wordt
onder meer geweten aan de plundering door rondtrekkende benden in
de Spaanse tijd, toen ook de oude kerk voor een groot deel verwoest
werd. Eerst in 161 8 zijn het schip en de toren weer gerestaureerd op
's lands kosten, want de kerk was aan de Hervormden toegewezen.
Andere oorzaken van de achteruitgang waren watervloeden, zoals de
Allerheiligen vloed van 1570, de springvloed van 4 op 5 maart 1671 en
de hevige storm van 1682, bij welke gelegenheden grote stukken van
de duinen bezweken en vele vissershutten wegspoelden. Door helmbe-
planting werden later de duinen beter bewaard en de plotseling op-
komende waterhoos, welke zich op 21 mei 1792 op het strand ver-
toond heeft, had althans niet zo'n katastrofale afloop. Omdat de ko-
nijnen veel schade toebrachten aan de helmbeplanting was het ook, dat
Schout en Schepenen zich c. 1657 met een verzoekschrift tot de Staten
van Holland richtten. Zij betogen, dat zij hebben ondervonden, 'dat
door groote drooghten en swaere stormwinden, die ordinair komen
uyt den westen ende noortwesten, de duynen leggende omtrent den
voors. dorpe van Santvoort langes de zeekant sodanigh komen over te
stuyven, dat geschapen staet, dat het voors. dorp in korte jaeren tenen-
mael van het sant staet (te) werden overstroomt', ondanks de helm-
beplanting, die door de konijnen vernield wordt, en vragen daarom
de duinen te mogen depopuleren (d.i. ontvolken) ende conijnenloos
houden.
Op 17 december 1795 heeft een hooggaande vloed een levende kabel-
jauw over de duinen geworpen, welke door een jonge Zandvoorter te
Haarlem op de vismarkt werd verkocht. Herhaaldelijk wordt ook ge-
meld, hoe walvissen, cachelotten en andere potvissen op het strand zijn
aangespoeld. De eerste vermeldingen hiervan zijn al uit het eind van
de 15 de en begin 16de eeuw, maar meer gedocumenteerd zijn die uit
later tijd. Zo bestaat van de op 4 januari 1629 tussen Noordwijk en
Zandvoort aangespoelde walvis een prent van C. Kittensteyn naar
P. Molijn, voorzien van het volgende vierregelig vers:
Wanneer ons 't vierde licht van 't nieuwe jaer quam groeten,
Is hier dees wallevisch, lang drie en cestig voeten,
Van N oortwijk op de zee naar Sandvoort weggestrand.
God wende 't quaed van ons en 't lieve Vaderland,
waaruit blijkt, dat men dit voor een slecht voorteken hield.
De historisch-topografische atlas op het gemeente-archief van Haar-
lem bevat verscheidene afbeeldingen van de walvis, die op 20 februari
1762 tussen Wijk aan Zee en Zandvoort aanspoelde, terwijl zich in
dezelfde verzameling eveneens afbeeldingen bevinden van potvissen,
24
«m
j/ff :J w / • fisjtf*/ ■ /
fff rttJ-?2fr-?tKr.- » /"/■- 'frrr.
t /-f
■A'ff/irrrrr J/&J, t&st Sjf 9 jf/t
f , * ', . * « «s ï-*
9.H. V/SA. «/£'//,/:■ „ .;./.;, ,,,.. ..,//>,
/ ■ / ' ' '" ■ '
* Tij- •,„.;sit. ■ ,.„ ff/ . ■•-,#'• '4,-/,/ , </ (r 4 .-,/. •/!'/. „.-fs-
f ■",-,■ ;,, **.;. ///.7>!v, /,..:., f', J { r / f/( .,,,{.
''''{</''"<••' :t'/„-' '„ ■■■■■• >'< ^r,s„,f .„ //?/.,„,/$„</,
*■/ 's- ■'
t/( f' ■ /■■'> <■ .'.'■ f,'-,' ' >?',' ,/ '-."ft f6/.v ■■f/fs/ij-r/,.
. ' '• •/■;'</ ■■■ .•■*..■' ■ : ■ •', ■ <■■■. ■ f .f-'fc .■>'■ f', 1 '. >'. </ " .
»/ /•/ A// . < /*■ - / ''/■ <■?/<■/ ■ ■ '•//, ,;., - 4/vv •/ .
'ff.
'Art naive' uit ry8i. (Gemeentearchief, Haarlem)
welke aldaar op het strand werden geworpen op p mei 1781 en 28
november 1791.
Een derde oorzaak van de achteruitgang van de bevolking was verder
de pestziekte, die in de 17de eeuw in deze streken vaak gewoed heeft
en ook het dorp Zandvoort dikwijls heeft geteisterd.
De zeventiende eeuw
Overigens moet juist op het eind van de zestiende en begin zeven-
tiende eeuw enige opbloei van Zandvoort worden vermeld als gevolg
van de walvisvangst op Groenland en in Straat Davis, waaraan ook
de Zandvoortse vissers deelnamen. Dat Zandvoort toenmaals groter
geweest is, is bij afgravingen van de duinen wel gebleken.
Uit die periode dateerde ook het helaas verdwenen Proveniers- of
Gasthuis, later genoemd Oude Mannen- en Vrouwenhuis. Dit werd in
1583 door Gerrit en Aeltgen Willems gesticht voor twaalf oude man-
nen en vrouwen, die gratis inwoning kregen. De portretten van de
stichters sieren thans de raadzaal. Het gesticht werd bestuurd door
drie regenten; de rentmeester legde rekening en verantwoording af
aan het dorpsbestuur. Ten behoeve van het Gasthuis was in het dorp
een bus op een paal geplaatst, waarin men zijn giften kon deponeren.
Een keur van baljuw en leenmannen van Brederode van 22 april 1632
verbood op straffe van drie Carolus gulden deze 'bos met steenen ofte
ander vuyligheyt te werpen ofte oock in geenderhande manieren met
slaen van stocken ende snyden met messen te beschadigen'. In 1663
kreeg het Gasthuis een legaat van ƒ 5432- van Agneta van Acker-
sloot, geestelijk dochter te Haarlem, met de bepaling dat de bewoners
jaarlijks op haar sterfdag (7 januari) 'een recreatie van een half conyn
ende een pinte wyn zou gegeven worden'. Op het eind van de 17de
eeuw waren de inkomsten van het gesticht echter te gering om het
grote aantal verpleegden te kunnen onderhouden, waarom een oude
bepaling weer werd ingevoerd, dat de inwoners de helft van wat zij
in of buiten huis verdienden aan de instelling zouden afstaan (Over-
eenkomst van 8 februari 1699, arch. nr. 6j).
Uit de zeventiende eeuw valt verder nog te melden, dat Zandvoort
blijkbaar in de gunst van prins Willem III, de stadhouder van Hol-
land, stond, want hij stelde dorpe ende plaets van Santvoort vrij van
alle inlevering en inkwartiering, hetzij om te provianderen of om te
verblijven, van alle militie in dienst van de Staat (20 maart 1673,
arch. nr. 44).
Hoe de Zandvoorters in 1673 ook deelnamen aan de strijd tegen
Frankrijk blijkt uit een rekening betreffende de kosten voor de op
12 juli van dat jaar van Zandvoort naar Uithoorn uitgetrok-
ken manschappen, die behoorden tot de compagnie van kapitein Cap-
poen, regiment Heemstede, (arch. nr. 51) en daar tot 26 augustus ver-
bleven. In dezelfde rekening komt ook voor een post aan soldij voor
48 man, die van 3 tot 9 augustus 1673 in Sluis gewaakt hebben langs
z6
'Walvisch aangespoeld te Zandvoort'. Volgens Schrevelius (blz. 308)
'is er in april 1520 een gruwelijk monster gestrand, zijnde 30 voeten
lang'. (Verz. Vereniging Haerlem)
* «f
«iefeC&GELOT VI S
I &»se 44 Voet 1" s Oeft r Aaé,
tufifettiïtó voord en VySe-
; op 35ee,de« 2P Pcb^ r/6j. t
VeHcugt de» $ Ma* 1+ voor y f ■
Guhiént-
Prent van C. ï>rf» Noorde uit 1762. (Gemeentearchief, Haarlem)
het strand 'ten tyde de vyantlycke vloten sigh onder de kust ver-
toonde'.
In 1681 bracht een collecte te Zandvoort tot lossing van te Algiers ge-
vangen zijnde Christenslaven een bedrag van 19 gld 10 st. op, welke
werden afgedragen aan de Ontvanger der gemenelands middelen over
Haarlem en ressorten vandien (arch. nr. 53).
Zandvoort onder Paulus Loot
Op 6 november 1722 is de ambachtsheerlijkheid Zandvoort, die na het
kinderloos overlijden van Wolfert van Brederode in 1699 aan de
Staten van Holland was teruggevallen, door deze Staten in de kaste-
lenij te 's-Gravenhage verkocht aan een Amsterdams koopman, Paulus
Loot, commissaris vanwege de Staten Generaal te Lissabon, voor
ƒ 10.500,-. Hij kocht tevens de Zandvoortse duinen voor ƒ 4140,-, be-
nevens het recht van vergeving van het bodeambt voor / 300,-. De
belening met de heerlijkheid was erfelijk, maar bij elke overgang moest
aan de Staten van Holland hulde en manschap worden gedaan en de
veertigste penning betaald. Tot de rechten behoorden de jaarlijkse
benoeming (tegen pasen) van de schout en van de zeven schepenen
uit een dubbeltal, opgemaakt door de regerende, en van de secretaris,
alsmede approbatie van de beroepen predikanten. De koster werd
evenals voorlezer, schoolmeester en doodgraver door de heer aange-
steld op voordracht van magistraat en kerkeraad. Schout en Schepe-
nen benoemden de kerkmeesters, de vroedvrouw en de chirurgijn-
vroedmeester.
Paulus Loot is op 31 mei 1723 als heer van Zandvoort ingehuldigd bij
welke gelegenheid hij door de schoolmeester met het volgende vers
werd verwelkomd:
Zijt welkom, achtbaar beer,
Zijt welkom met uw zoon
En met uw knecht Anthoon,
Zijt welkom met uw schimmels,
Zijt welkom met uw ruinen
In deez' verdoemde duinen.
Wel een bewijs, hoe weinig aanlokkelijk het dorp toen was. De nieuwe
ambachtsheer liet zich echter niet ontmoedigen.
Het is door zijn toedoen, dat in 1725 een wagenveer op Zandvoort
werd opgericht. Het reglement hiervoor is overigens eerst door baljuw
en leenmannen van Brederode in 1741 vastgesteld, waarna het in 1746
door de Staten van Holland werd goedgekeurd. In het laatste jaar be-
giftigde Paulus Loot het gerecht van Zandvoort met de somma van
2703 gld. 15 st. ten behoeve van de verbouwing van de dorpsstal en
het voeren van een proces tegen enige voerluiden. Immers uit het
reglement blijkt, dat toen reeds een aantal voerluiden het alleenrecht
28
had de vrachten van en naar Zandvoort volgens vastgestelde prijzen
te vervoeren, of, zoals het in het eerste artikel heet, onder de bel te
mogen rijden. Ook de vrachten voor de godshuizen, kerk, dorp en
vuurboet zouden behoren tot de wagens onder de bel.
Op deze vuurboet dichtte G. Tysens in zijn Haarlemmer Duinzang
van 1728:
Dies zal 't opmerkend oog zig elders bezig houwen,
Om met aandagtigbeid de Vuurbaak te beschouwen.
Die 's nags door 't blakend ligt den zéman wijst het spoor
Op moeder Thetys plas, om hem te hoeden voor
De lage banken, die den slag der golven breken.
Laat 't trotse Rodus ons van zijn Kolossus spreken,
Of Pharos van zijn baak, zo diep in zê gebouwd,
De naam is 't maar alleen die hen in wezen houwd,
Want Febus zonnebeeld is lang ter neer gesmeten,
En Pharos vuurbaak door geweld van een gereten,
Maar deze toren blijft nog in zijn eersten stand,
Ten dienst de zémanschap gesticht op 't hoge land,
Om in den nagt, door 't ligt, zijn weg hem aan te tonen,
Op dat een wenss'lijk eind mag sijne reis bekronen.
Voor het onderhouden van het vuurbaken stelden Schout en Schepe-
nen van Zandvoort drie vuurboetmeesters en één vuurboetstoker aan.
Het vuur werd alleen aangehouden, als er uit het dorp schepen op zee
waren.
Ook de kerk had de zorg van de nieuwe ambachtsheer. Nadat hij het
gebouw reeds aanzienlijk had verbeterd, stichtte hij in 1728 aan de
westzijde een fraaie grafkapel. In zijn testament, verleden voor no-
taris Jan Ardinois te Amsterdam op 13 januari 1746, had Paulus Loot
verschillende revenuen tot onderhoud van deze graftombe aangewezen,
welke hij nog aanvulde op 2 augustus 1753 voor dezelfde notaris.
Met de stad Haarlem, die de ambachtsheerlijkheid Tetterode, Ael-
brechtsberg en Vogelenzang had gekocht, wist de heer in 1735 een
overeenkomst te sluiten over de banscheiding, welke met scheipalen
moest worden afgeperkt.
De begrafenis van Paulus Loot
Dat de ambachtsheer Paulus Loot inderdaad de weldoener der Zand-
voorters is geweest, bleek, toen hij op 14 oktober 1753 overleed en op
19 oktober d.a.v. met grote statie in de grafkelder werd bijgezet, ge-
dragen door tien dragers, elk ordentelijk in het zwart en met een zee-
mansmuts op. Zijn naam was met koperen spijkertjes op de kist aan-
gebracht. Een beschrijving van deze plechtigheid wordt gevonden in
een Memorie van de toenmalige onderwijzer, tevens lijkbezorger, ver-
moedelijk nog de in 1742 aangestelde koster-schoolmeester- voorzanger
29
IJsbrand Langeveld, van wie ook een request over is, waarin hij zich
beklaagt over een schandeloos gerucht als zou hij ongepermitteerde
gemeenschap hebben gehouden met een zijner gebuurmeysies.
Zolang het lijk nog boven de aarde stond werd, driemaal daags de
klok geluid en zijn ook de nodige aanzeggingen gedaan aan schout en
schepenen, predikant en kerkeraad, die allen, met nog enige aanzien-
lijke burgers, tot begrafenis en begrafenismaal genood werden, het
laatste in deze termen: 'dat ze na de begraaf fenis tot Corn. van der
Mije moesten gaan om een glaasje wijn te drinken en een stuk te eeten,
maar niet te zingen off te kijven'. Genoemde Corn. van der Mije was
de schout van Zandvoort (1751-1772) en stamde uit een geslacht, dat
wij in die functie reeds sedert 1630 aantreffen. Na hem bekleedde van
1 775-1 776 Jan van der Mije het schoutambt, terwijl van 1837-1866
J. van der Mije burgemeester van Zandvoort is geweest.
Verder wordt de eigenlijke begrafenisplechtigheid aldus beschreven:
'De tijd gekoomen zijnde om te begraaven, zoo kwaamen er vier bid-
ders uyt de stadt met een koets en bragten een slegt kleed mede, waar-
mede zij de zitplaats van Sijn W.Ed.Hd. in de kerk behongen. Ik liet
terstond als de bidders kwaamen de klok luyden en na verloop van
een groot half uur kwam men met het lijk bij het kerkhoff, alwaar de
baar op ordre even binnen de muur gezet was; het lijk daarop gezet
zijnde, hadden ze een roeff en een kleed van Amsterdam mede gebragt,
welk kleed ik afkeurde, omdat het zoo klijn was, dat (het) op de roeff
liggende de kist niet konde bedekken, en haalde ons doodkleed. En
in ordre gekoomen zijnde, gingen de bidders aan eyder zeyde van mij
en ik in het midden voor het lijk en om het slegte weer werd mij ge-
ordineerd om maar eens om de kerk te gaan, en zoo de kerk in tot
voor het graff, alwaar twee mannen in klommen om de kist waar te
neemen. Want de kist moest met het voeteynde eerst wat neder ge-
laaten worden, omdat de oopening te kort is en daarom gebruykte ik
ook drie touwen voor de zekerhijd. Het lijk dan bijgezet zijnde, gingen
wij de kerk weder uyt met zoo goeden ordre als wij konden en geley-
den de vrinden voor het huis van de Schout, alwaar ik de bidders, die
anders voor het lijk heel ordentelijck gegaan hadden, aan eyder zijde
van de deur twee plaatste met de hoed in de hand, hetwelk ik haar
voordeede, zoolang totdat de vrinden nevens de Schout en de Hr.
Secretaris en Do. in huys waaren... En nadat de klok omtrent een
uur (nadat het lijk bijgezet was) geluyd had, kreeg ik ordre om op te
houden, maar dat we zes weeken, te reekenen van de eerste ordre aff,
driemaal daags elke reys een half uur moesten luyden...'
Zandvoort onder Jan van Marselis
Na het overlijden van Paulus Loot hebben de Staten van Holland op
4 september 1754 zijn dochters Margaretha Elisabeth en Catharina
Ida verlijd met de ambachtsheerlijkheid. Nadat eerst nog het bewind
was gevoerd door de weduwe van Paulus Loot, vrouwe Margeretha
30
Verhamme, die in 1756 stierf, is op 31 mei 1757 de echtgenoot van de
jongste dochter, Jan van Marselis Jr., schepen en koopman te Amster-
dam, als heer van Zandvoort ingehuldigd. Bij deze gelegenheid werd
door zekere vendumeester C. J. v. d. L., een aangetrouwde neef van de
nieuwe heer, een redevoering gehouden Over de pligten der over-
heden en onderdanen jegens malkanderen, waarin hij herinnerde aan
Paulus Loot, 'wiens deugden, schoon naar den lichame gestorven, noch
leeven, zoo in het hart der gegoeden, als wel bijzonderlijk der armen
deezer plaatse'. Ook de Zandvoorters werden op hun verplichtingen
jegens hun nieuwe heer gewezen, waarop hij besloot met de woorden:
'Ja, dus zal dese afgelegene plaats zijn vermaak en vreugde worden,
de anderzins barre zandduinen zullen Z.E. van u niet te rugge houden,
terwijl zij voor hem worden zullen als vruchtbare vallijen en ver-
maaklijke dreeven'.
De gezwollen taal van deze rede gaf een grappenmaker aanleiding
tot het vervaardigen van een Lofreden ter eere van den weledelen
beer C. ]. v. d. L. door Pieter Foppensz., visboer te Santvoort, uitge-
sproken op den 31 May ij$j..., waarin hij beweerde, dat Zandvoort
door het optreden van genoemde Demosthenes even beroemd zou
worden als het geestrijke Kampen of het vernuftige Edam. Hij wenste
hem toe, dat hij zich hiernamaals met soortgelijke hoogdravende rede-
naars voor eeuwig mocht verlustigen.
Ten tijde van de ambachtsheer Jan van Marselis kwamen enige belang-
rijke ordonnantiën tot stand, die met voorkennis en adhaesie van de
heer door Schout en Schepenen waren vastgesteld en door de hoge
overheid geapprobeerd. De eerste van 6 januari 1772 (arch. nr. 181)
was de Keure en ordonnantie, waarna de schrijvers der schuyten te
Santvoort, alsmede de stuurlieden en bootsvolk, zig zullen hebben te
reguleeren, welke als voornaamste de bepaling bevatte, dat slechts
de ambachtsheer iemand tot het schrijven of reeden van visch-schuy-
ten kon qualificeren, en dat geen schuit kon worden ingeschreven,
welke niet minstens voor f eigendom van een inwoner van Zandvoort
was. Op 20 januari 1788 werden gearresteerd de Keure en ordonnan-
tie, waarvan alle burgers en opgezetenen van den dorpe en heerlijk-
heid Santvoort in 't algemeen hun voortaan zullen hebben te gedragen
en de Keure, ordonnantie en reglement aangaande het koopen en ver-
koopen in den afslag der vis op het strand...'. De eerste bevatte
verschillende ordemaatregelen, o.a. betreffende het wegbrengen van
vuilnis naar bepaalde daartoe aangewezen plaatsen en het karren van
het zand. Door de sterke en menigvuldige verstuivinge was n.1. het
zandkarren in het dorp steeds meer nodig en achtte men het dus nood-
zakelijk ieder in zijn buurt te verplichten daaraan mede te helpen.
Ook zijn enige bepalingen ingevoerd betreffende de zondagsarbeid,
waarover reeds in de 1 7de eeuw voorschriften waren uitgevaardigd. De
tweede ordonnantie was vooral gericht tegen de z.g.n. ventjagerij, d.i.
het verkopen van vis buiten de afslag om, waarvan echter een aan-
3i
vullende ordonnantie van 23 mei 1788 enige ontheffingen toestond,
als zijnde zeer voordelig voor de ingezetenen.
Jan van Marselis stierf in 1793. Ook hij liet twee dochters na, die de
heerlijkheid erfden, beiden uit zijn tweede huwelijk met Maria R. A.
Buteux. Het waren Johanna Henriette en Maria Petronella van Mar-
selis, die respectievelijk in 178 1 en 1785 huwden met twee broeders,
Jan en Pieter Cornelis Hartsinck, weer Amsterdamse regenten en
kooplieden. Hun afstammelingen kregen het recht zich Van Marselis
Hartsinck te noemen.
Hoewel de heerlijke rechten in 1795 officieel werden afgeschaft, is de
titel ambachtsheer behouden gebleven. De dragers hiervan oefenden
een soort beschermheerschap uit en bezaten nog enige rechten zoals de
invloed op de predikantsbenoemingen. Het was Jan Hartsinck, die na
de dood van zijn vrouw en zijn broeder, als ambachtsheer optrad. Na
zijn overlijden in 1823 werden zijn rechten op Zandvoort verkocht aan
Jhr. Willem Philip Barnaart (1824).
De Franse tijd
De Franse tijd met de bijna onafgebroken oorlog tegen Engeland was
vooral voor de vissers een moeilijke periode. Ondanks de vrede van
Amiens (1802) was de toestand in 1803 nog zó onzeker, dat de Raad
van Marine der Bataafse Republiek op 10 oktober de aanschrijving
deed om de pinken achter het duin te bergen (arch. nr. 263). In 1804
mocht men wel weer bij dag uitvaren, maar men moest zich stipt
houden aan alle bevelen, die gegeven werden, en zich op zeker over-
eengekomen sein dadelijk bergen, als er vijandelijke schepen op de
kust kwamen. Eerst in september 1804 kreeg men verlof ook 's nachts
op zee te blijven, maar toen was de nood in Zandvoort ook hoog ge-
stegen. De Municipaliteit verbood op 13 mei alle openbare vréugde-
betoon ter gelegenheid van de kermis wegens de ongelukkige tijden
(arch. nr. 268). In Amsterdam werd een collecte gehouden ten be-
hoeve van de vissersdorpen Wijk aan Zee en Zandvoort (arch. nr. 267)
en in 1807 deelde Zandvoort in de gelden, die de inwoners van Kaap
de Goede Hoop voor de arme vissers van de door de oorlog getroffen
zeedorpen hadden bijeengebracht (arch. nr. 282). De Zandvoortse be-
volking bestond toen uit 649 Hervormden, 95 Rooms-Katholieken en
3 Luthersen. Het grootste deel van het ontvangen bedrag is op last
van de Landdrost van Amstelland omgezet in schuldbrieven van de
Nationale Schuld, zodat slechts een klein gedeelte voor directe uit-
kering in aanmerking kwam. De renten van deze schuldbrieven zou-
den echter voor noodlijdenden worden besteed.
In 1807 gaf Lodewijk, koning van Holland, ƒ 200,- aan de achterge-
bleven betrekkingen van de bemanning van twee vissersschuiten, die
op 2 april door de Engelsen waren genomen (arch. nr. 286); in fe-
bruari 18 10 schonk hij ƒ 400,- voor de armen van Zandvoort (arch.
nr. 292)
32
Op 28 oktober 1805 raakte tijdens een beschieting door de Engelsen,
waarbij vele bewoners het dorp ontvluchtten, een visserspink in brand,
maar een jonge Zandvoorter, Mathijs Moolenaar, zwom er heen en
wist onder het vuur der Engelsen de brand te blussen. Klaarblijkelijk
was hij een visloper, want het Constitutioneel gezelschap te Haarlem,
voormaals de Volksvergadering, beloonde zijn dappere daad met een
zilveren tabaksdoos met het volgende inschrift:
Deez' doos vereerde een vriendenkring
Aan Zandvoorts braaven jongeling,
Den kloeken Mathijs Moolenaar,
Die, spijt het dreigend lijfsgevaar,
Bij 't fel beschieten van de kust,
Een brandend pink je heeft gebluscht.
Dat dit geschenk, hoe kleen, bewijs
'Bataaf sche moed staat nog op prijs'.
Overigens was de animo voor het door Napoleon opgeëiste Bataafse
leger niet zo erg groot. In 1800 waren er drie aangeworven, van wie
één deserteerde, en zelfs bij de scherpere bepalingen van 18 10 had
men slechts vier Zandvoorters kunnen strikken (arch. nr. 251). Hoe
konden zij ook voelen voor de Keizer, die de oorzaak was van de voor
hun bestaan zo funeste oorlogen? Daarom waren er ook bevelen van
de onderprefekt van Haarlem nodig voor het vieren van overwinnin-
gen en van de verjaardagen van deze vorst (arch. nrs. 321, 322). Een
soortgelijke maatregel was de aanschrijving bij de geboorte van de
koning van Rome in 18 11 (arch. nr. 309), toen een Te Deum moest
worden gezongen en de Maire werd aangespoord 'niets te verzuimen
om aan de inwoonders... die gevoelens in te prenten, welke hun alle
even zeer moeten bezielen, opdat zij door alle uiterlijke tekenen van
vrolijkheid aan de dag leggen het belang, hetwelk zij stellen in eene ge-
beurtenis, aan dewelke in meerdere of mindere mate hun geluk en
hunne rust verbonden is'.
Hoe zullen de harten der Zandvoorters echter hebben gepopeld, toen
zij op 21 november 18 13 de proclamatie lazen van degenen, die in
naam van de spoedig te verwachten Prins van Oranje het bewind
over het vrijgekomen vaderland op zich namen. Ongetwijfeld hebben
zij ook met vreugde gehoor gegeven aan de aanschrijving van de graaf
Van Limburg Stirum als gouverneur-generaal van de Gewapende
Magt te Haarlem, om de klok te luiden, zodra de Engelse vloot in
zicht zou komen, en de nodige wagens en paarden gereed te houden
tot onmiddellijk transport van de te landen troepen en toebehoren.
Klaarblijkelijk heeft men de hoop gekoesterd, dat de Prins te Zand-
voort zou landen, maar dit geschiedde tenslotte op 30 november te
Scheveningen.
Dat deze landing niet te Zandvoort plaats vond, is mogelijk te wijten
33
aan het feit, dat Zandvoort geen goede verbinding met het achterland
bezat. De zandweg door den Aerdenhout was bochtig en slecht be-
rijdbaar. Reeds in 1802 dienden de grondeigenaars van Aerdenhout
een bezwaarschrift in bij het Staatsbewind, waarin zij naar voren
brachten, dat er zoveel kuilen in de weg waren, dat hij 's winters bij
sneeuwval zeer gevaarlijk was voor de zwaarbeladen wagens en
's zomers door het mulle zand inpracticabel.
De Straatweg
Het was een teken van groeiende belangstelling voor Aerdenhout en
Zandvoort, dat zich in 1824 een commissie vormde om te komen tot
een bestrating van deze weg met klinkers, te weten van de Herenweg
of Haagse Straatweg tot aan het dorp Zandvoort, naar het voorbeeld
van de Haagste Zeestraat, die door Constantijn Huygens bevorderd en
bezongen werd (Sterck-Proot, Geschiedenis van Aerdenhout, 2de
druk, blz. jy). Het doel was om Zandvoort uit deszelfs diep verval op
te beuren als ook om in Zandvoort een etablissement voor zeebaden
op te richten. Dit laatste, het gebruik van zeebaden, was iets nieuws,
dat in de tweede helft van de 1 8de eeuw in Engeland was opgekomen
(Margate 1756). Voorheen werd baden in zee voor niet-fatsoenlijk
gehouden en liet men zich hoogstens in zee rijden. Oog voor natuur-
schoon van duin en strand had men trouwens in die tijd nog niet. In
zijn Uitspanningen van 18 ro heeft de Haarlemse dichter J. B. Welle-
kens aan Zandvoort deze regels gewijd:
Dit schijnt de zandzee, of nog droeviger woestijn.
Geen boom! geen kruid! geen gras! wie zou hier willen wonen?
Hier ziet men 't rijk des doods naar 't leven zich vertoonen.
O Zandvoort, zal ik u benijden of beklagen?
Dat in dit barre duin slijt zorgloos uwe dagen;
Dat, ver van hoofsche pracht, uw Burgemeesters ziet
Nu in de Visscherspink, dan in het Rechtsgebied.
Oud-Rome zag weleer zijn Raaden aan de ploegen,
En d'uwe willen zich bij want en netten voeghen.
Door de aanleg van de Straatweg en de stichting van het Badhuis
kwam Zandvoort echter tot bloei. Het dorp profiteerde van de gro-
tere belangstelling van buiten, aanvangend met pleziertochtjes naar
het strand, die tenslotte bewerkte, dat het hoofdmiddel van bestaan
in het badleven zou worden gevonden. Van armzalig vissersdorp te-
midden van barre en verdoemde duinen werd Zandvoort een aantrek-
kelijk vakantieoord.
DR. G. H. KURTZ
34
Geschiedenis van Zandvoort nadat
het badplaats werd
De negentiende eeuw is het tijdvak geweest, waarin zich te Zandvoort
de meest radikale veranderingen hebben voltrokken. De aanleg van
de straatweg en de stichting van het Groot Badhuis gaven de eerste
stoot hiertoe. Beide objecten zijn te danken aan een in 1824 gevormde
commissie, waarin zitting hadden: Jhr. W. Ph. Barnaart van Vogelen-
zang, ambachtsheer van Zandvoort en lid van Gedeputeerde Staten,
voorts Prof. D. J. van Lennep, eigenaar van Manpad, en P. van
Lennep, eigenaar van Groot Bentveld, beiden lid van de Provinciale
Staten, J. Enschedé, lid van de Haarlemse Raad en W. van der Vlugt,
bankier te Haarlem. Zij beoogden 'van den ouden zandweg naar
Zandvoort een klinkerweg te maken van den Haagschen weg bij Oud
Berkenrode door Aerdenhout en Bendveld naar de Haarlemmerstraat
in Zandvoort en dan met een Hoogen weg over het duin naar een
gelijk te maken stuk van de strandreep, om daarop een badhuis te
bouwen.'
Nogmaals de straatweg
De intekening voor het Plan der Negotiatie voor de aanleg van de weg
en het stichten van een badhuis verliep vlot. Koning Willem II teken-
de in voor f 10.000,- en de grootgrondbezitters en andere vermogen-
den uit de omgeving bleven niet achter. De Staten van Noordholland
gaven ƒ 30.000,- subsidie, verdeeld over drie jaren. Haarlem gaf
ƒ 100,- per jaar voor onderhoud van de weg en stelde Zandvoort vrij
van de ƒ 600,- 's jaars, die het moest betalen voor vrijdom van vis-
accijns. Zandvoort zelf droeg gedurende enkele jaren ƒ 1500,- bij, met
name ten behoeve van de bestrating in het dorp. In totaal werd een
kapitaal gevormd van ƒ15 0.000,— in aandelen van ƒ 1 000,-.
In 1825 begon men met het aanleggen van de weg en in maart 1828
kwam men ermee gereed. De tracering leverde geen moeilijkheden op,
want de grond was bijna geheel in handen van P. van Lennep. Het
gekozen wegprofiel bleek echter bezwaarlijk te zijn. In plaats van de
oorspronkelijk beoogde 10 m nam men namelijk 7 m, waarvan slechts
4, 1 8 m werd bestraat. Ten opzichte van het mulle visserspad door de
duinen en de Schulpweg op Aerdenhout betekende de nieuwe Zand-
voortse laan een grote verbetering, maar door de onverharde zij-
stroken ontstonden steeds weer verstuivingen en zandhopen op het rij-
vlak. Pas jaren later bestreed men dit euvel door boombeplanting en
bermbegroeiing. De asfaltering van 1920 hief de laatste bezwaren op.
35
Zandvoortse laan met tolhuis omstreeks 1900. Foto Bakels
De Zandvoortse laan eindigde bij het dorp in de beide Krochten en
werd daar voortgezet door de tegenwoordige Haarlemmerstraat en
de nieuwe Hogeweg, die ten behoeve van het Groot Badhuis was aan-
gelegd. In 1826 begon men met de applanneering van den grond voor
het badhuis en in 1828 was het gebouw voltooid. Aan de goede exploi-
tatie van het badhuis is het te danken, dat het gehele plan der Nego-
tiatie geen financiële mislukking werd. De weg leverde namelijk niet
de verwachte inkomsten op, zodat men de beloofde 4 % rente niet
meer kon uitkeren en zelfs de aflossing van het geïnvesteerde geld
moest staken.
De tollen
Ten einde de kosten van aanleg en onderhoud van de weg te bestrijden
werd aan begin- en eindpunt tol geheven. Aan het begin van de weg
gebeurde dat bij het oude klaphek te Aerdenhout (aan de Viersprong
bij de oude herberg het Haringbuys) en aan het eind bij Kostverloren
te Zandvoort. Aandeelhouders hadden tolvrijdom voor zichzelf, hun
huisgenoten en het in hun rijtuig zittende gezelschap, mits hun gerij
niet verhuurd was.
De Haarlemse stalhouder J. C. van den Berg, die in 1 8 5 1 een diligence-
dienst opende, kreeg in 1861 ook vrijdom van tol op voorwaarde, dat
36
de laatste halte hotel Groot Badhuis zou zijn. De omnibussen ver-
trokken toen van het Houtplein in Haarlem en reden door tot de Dam
van het hotel Driebuizen. Aanvankelijk was er alleen een zomerdienst,
later reed men ook enige malen per dag in de wintermaanden.
Sinds 1859 werden de beide tollen verpacht; in Aerdenhout kwam de
tol in handen van Jan van der Velde en zijn familie, en in Zandvoort
aan de Van der Mije's, die in 1873 werden opgevolgd door Van Toom-
bergen, die tevens chef-kok in het hotel Groot Badhuis was. Ondanks
veelvuldige protesten wilde men niet tot opheffing van de tollen
overgaan; in 1909 verkregen auto's en rijwielen echter vrijdom van
tol, want men begon eindelijk in te zien, dat het toenemende verkeer
niet meer op een dergelijke wijze mocht worden gehinderd. Op 29
augustus 1916 werd in beginsel besloten de weg in eigendom over te
dragen aan de gemeenten Heemstede-Bloemendaal en Zandvoort, op
voorwaarde dat na afloop van de pachttermijn op 1 maart 19 17 de
tollen zouden worden afgeschaft. En aldus geschiedde.
Thans herinnert nog de vaak met sloop bedreigde voormalige herberg
de Haringbuys aan een der verdwenen tollen. Oorspronkelijk heette
deze herberg Het Gulden Klaverblad en het was hier, dat blijkens het
volgende gedicht, de hertog van Langeveld zijn ongewone eetlust be-
vredigde.
Als men zestienhonderd acht en twintig schreven
Was de Hertog van Langeveld in 't fleur van zijn leven
Kwam in d' Aerdenhout in het Gulden Klaverblad
Heeft een maaltijd gedaan van twee uren en at
Dees nabeschreven spijs, zoo ons de waard vertelde
Die hem de spijs en drank met zijne hand bestelde
Acht ponden roggebrood en vier tarwebollen fijn
Tien pond zoetemelksche kaas en haring een dozijn
Nog liet hij metter haast ook door het keelgat snappen
Van 't goed acht-gulden bier, omtrent de veertien flappen
De waard rekent 't gelag. Hier wel terdeeg op let
't Beliep de gulden vier en nog j stuivers net.
De renbaan
In de duinen ten zuiden van de straatweg Zandvoort-Haarlem bevond
zich een renbaan, die in 1844 in gebruik werd genomen. Bij die gele-
genheid, waarbij het paard van Prins Frederik de eerste prijs a ƒ 800 -
won, was ook Koning Willem de Tweede aanwezig en met hem een
hele stoet hoge personages. Ter ere van Zijne Majesteit had het Ge-
meentebestuur voor schildwachten aan de ingang van het terrein ge-
zorgd. Bij gebrek aan geweren waren ze echter van een stevige knup-
pel voorzien, die ze krijgshaftig presenteerden, toen Z.M. het hek
doorreed.
De Koning keek verrast op en meende één der schutters te kennen. Hij
37
Bewaarschool aan de Duinweg, naar een oude briefkaart. (Verz.
G. N. de Heer)
liet hem dus door de burgemeester bij zich ontbieden op de tribune.
Toen de schutter daar was aangeland en wederom had gesalueerd, zei
de burgemeester: 'Vokkie, de Koning meent je te kennen en wou eens
weten of dat kon.'
'Nou en of ik Zijne Majesteit ken en hij mij. Denk maar eens aan
Vokkie de eierendief'.
Nu herinnerde de Koning zich het aangeduide voorval uit de Tien-
daagse veldtocht van 1830, die hij als Prins had meegemaakt. Op een
dag had hij er namelijk over geklaagd, dat hij al in een week geen ei
had gezien. De droeve klacht was opgevangen door de Zandvoorter
Volkert Loos, die er onmiddellijk op uit trok om een boer in de buurt
eieren af te persen. Het resultaat was een mand vol, die de Prins kon
worden aangeboden. Bij deze herinnering schoot de Koning in de lach
en de trouwe schutter kreeg een goede fooi.
Ook in de letterkunde heeft de Zandvoortse renbaan zijn plaats ge-
kregen door W. J. van Zeggelen's De wedren bij Zandvoort (6 en 7
september 1844) en de anonieme brochure De wedren bij Zandvoort
of: wij zagen niets (door A. Beets). Een mooie sepia-tekening van
C. C. A. Last, Wedren bij Zandvoort (6 september 1844) bevindt zich
op het gemeente-archief te Haarlem. Hij is aldus een waardig voor-
loper van het hedendaagse circuit!
De bewaarschool
Tot de badgasten, die Zandvoort in 1843 bezochten, behoorde ook de
bekende filantroop W. H. Suringar. Zijn genoegen werd echter vergald
door de slechte gewoonte om de kleine kinderen te laten bedelen. In
overleg met de plaatselijke predikant Ds. Swaluë, die ook al dikwijls
tegen dit euvel te velde was getrokken, vatte hij het plan op een be-
waarschool te stichten. Weliswaar was er reeds in 1805 door C. van
der Schinkel en Aaltje Schilpzand een kinderschooltje opgericht,
maar dat moet reeds spoedig zijn opgeheven. Het schijnt trouwens
niet meer dan een bewaarplaats te zijn geweest.
Op 22 augustus 1843 richtten W. H. Suringar uit Amsterdam, M. Zott-
mayer, secretaris van het kabinet van de koning van Beieren, en P. L.
J. Huët, predikant bij de Waalse gemeente te Amsterdam, zich namens
de badgasten met een circulaire tot de burgemeester en de predikant
om hun vriendelijk te verzoeken pogingen aan te wenden een bewaar-
school tot stand te brengen. Zij verwachtten, dat daardoor 200 kinde-
ren in plaats van om centen te bedelen onder een weldadig toezicht
gesteld zouden worden om enig onderricht te ontvangen en tot zede-
lijkheid en godsvrucht te worden opgeleid. De heren verklaarden zich
bereid voor dit doel bijdragen te verzamelen. In datzelfde jaar kreeg
men ongeveer / r6oo,- bijeen, waarbij / 200,- van Teylers Genoot-
schap te Haarlem en ƒ 600- van de heer E. J. Koch, die deze som
ter herinnering aan zijn zoon schonk, die op 27 augustus 1843 bij het
baden in zee was verdronken. Het volgend jaar hieid men weer een
inzameling, waardoor het bedrag tot ƒ 3300,- aangroeide. Toen de
renbaan werd geopend, kwamen er nog meer bijdragen, o.a. van de
Prins van Oranje.
Intussen was er een bestuur gevormd bestaande uit Jhr. Barnaart;
professor D. J. van Lennep, burgemeester J. van der Mije, W. H.
Suringar, mr. H. A. van Lennep, ds. C. Swaluë en vier dames. In to-
taal was ƒ 4650- bijeengebracht en in 1845 kon de school voor
ƒ 3500,- worden gebouwd. Als hoofd werd mevrouw wed. L. Kloos-
Kracht aangesteld en haar dochter fungeerde met Antje Koper en
Geertje Koper als helpster.
Op 28 oktober 1846 werd de school geopend met een toespraak van de
heer Suringar, die door professor Van Lennep werd beantwoord. Ds.
Swaluë had voor deze gelegenheid het zogenaamde Zandvoortse volks-
lied gemaakt op de wijze van Klein vogelijn (zie verder hiervoor de
bijdrage van Dr. de Haan). Tot slot zong men psalm 72, vers 11. Ver-
volgens had er een dank- en bedestonde in de kerk plaats naar aan-
leiding van psalm nj, vers 14.
In het eerste jaar waren er al 78 kinderen onder de hoede van mevrouw
Kloos, die tot 1883 schoolhoofd bleef en toen werd opgevolgd door
mejuffrouw J. A. van den Ende.
39
Middelen van bestaan
In de eerste helft van de vorige eeuw nam het aantal inwoners toe van
circa 700 tot circa 1400, om precies te zijn waren er in 1855: 1170 en
in 1865 als 1550. In Sloets Tijdschrift (18de deel, 5de stuk) worden de
beroepen vermeld, die in 1860 werden uitgeoefend. Er waren toen 6
reders, 66 tot 70 vissers, 4 visdrogers, 4 schoenmakers, 4 bakkers en
6 timmerlieden, die tevens optraden als metselaar, schilder en glazen-
maker, daar de geringe welvaart geen verdere verdeling van de arbeid
toeliet. De overige bevolking bestond uit visventers en aardappeltelers;
slechts 10 dorpelingen voeren ter koopvaardij. Tenslotte waren er
enige kleine komenijswinkels.
Naast de visserij - die in de bijdrage van de Heer Varkevisser wordt
behandeld — was in het midden van de vorige eeuw de aardappelteelt
de voornaamste bestaansbron te Zandvoort. Reeds omstreeks 18 16
werden door Van Lennep op Mariênduin aardappels verbouwd en
zijn nevendoel bij het aanleggen van de straatweg was ook verdere
ontginning van de duinen mogelijk te maken. Al is er van een groot-
scheepse ontginning, zoals Van Lennep zich voorstelde, niet veel te-
recht gekomen, de Zandvoorters hebben zich op kleiner schaal toch
op de aardappelteelt geworpen.
Er was een overvloed van bekorste grond en de korst of zode werd als
een groene bemesting ondergespit; daarop werden twee achtereenvol-
gende jaren aardappels geteeld en vervolgens in het derde jaar groene
erwten gezaaid. Daarna moest men mesten, als men tenminste geen
nieuwe grond verkoos. Een schelpkar mest kostte ƒ 3,- en hiermede
kon men 10 oude roeden bewerken. In de Zandvoorter duinen werden
niet minder dan 500 bunders land door ingezetenen van Zandvoort,
Haarlem en Bloemendaal met aardappelen beteeld. Door de eigenaar
van de duinen, de heer Barnaart, werd de oude roede voor 3 cent ver-
pacht. Dit was een redelijke prijs, want andere eigenaren vroegen 4
cent en in de Haagse duinen werd zelfs 20 cent per roede betaald. Een
roede bracht gemiddeld i hl op; de prijs van een hl aardappels be-
droeg ƒ 3- a ƒ 4,-. Wegens zijn goede kwaliteit werd voor de duin-
aardappel namelijk goed betaald. Tot zelfs in Engeland wist men deze
soort te waarderen. Er waren in Zandvoort 7 aardappelboeren, van
wie er één 7 bunder beteelde. Overigens had bijna ieder vissersgezin
een landje, dat 's winters werd bewerkt, als de visserij stil lag. De
aardappelteelt maakte tevens een niet onbelangrijke fokkerij van var-
kens mogelijk. De hoofdvoeding voor deze dieren bestond uit boek-
weitzemelen — dat hier grint werd genoemd — maar nu kon men de
hoeveelheid voer met aardappelschillen vergroten. Tevens zochten de
kinderen voor de varkens nog een duinplant, hazenkool geheten (sor-
chus arvalis). Soms werden de varkens ook bijgevoerd met visafval,
maar na augustus deed men dit niet meer, omdat dan het spek een vis-
smaak zou krijgen. Het aantal varkens, dat hier op deze wijze werd
gefokt, bedroeg omstreeks 200 stuks per jaar.
40
Hooischuur tussen de visserswoningen aan het Achterom. (Tekening
R. C. Hekker, 1959)
De veestapel bestond verder uit 36 koeien, die aan de oostzijde van
het dorp in de oude krochten konden grazen. Deze duinweiden waren
begroeid met gezond gras, dat een zoete boter gaf. Bij de minste
droogte verkwijnde echter de grasspriet. Verder hield men 40 geiten,
meestal van een kleine soort, die in de duinen, vastgebonden aan een
paaltje, werden geweid. Ten slotte waren er in het dorp nog 40 paar-
den, 17 ezels, 5 schapen en een groot aantal kippen. Zoals de vissers
moesten worstelen met de zee, zo moesten de gebruikers van en duin-
weiden en -akkers altijd vechten tegen het zand. In de aanvang der
18 de eeuw waren in de Ban van Tetterrode (Overveen) drie woningen
met ruim 17 morgen bebouwde grond geheel onderstoven. Ook het
Volmeer, dat vroeger tussen Bentveld en Overveen lag, is onder zand
bedolven. Om deze zandverstuiving te beteugelen werd geregeld
voor rekening van het hoogheemraadschap Rijnland in de duinen helm
geplant. Dit geschiedde in het voorjaar gedurende 2 en in het najaar
gedurende 8 weken. Het gaf werk aan 40 tot 50 arbeiders, die van
30 cent tot ƒ 1,- per dag verdienden.
De waterleiding
De Zandvoorters verkregen hun drinkwater aanvankelijk uit een drie-
tal dorpsputten, waaruit zij het water naar boven brachten door mid-
del van twee emmers aan een ketting, die over een katrol liep. Later
kwamen er pompen in gebruik, die op hun beurt weer plaats maakten
voor de waterleiding.
4i
Reeds in 1846 maakte C. D. Valiant een ontwerp voor een Amster-
damse duinwaterleiding. Oorspronkelijk zou het duinwater door bui-
zen naar de Brouwerskolk bij Overveen worden geleid en vandaar
naar Amsterdam. Na veel tegenwerking werd eindelijk op een veel
zuidelijker gelegen plaats met de aanleg begonnen. Op 11 november
185 1 stak de Prins van Oranje onder muziek en kanongebulder de
eerste spade in de grond en begon men met het graven der Kom in de
duinen. Spoedig daarop werden bij Leiduin aan de Leidsevaart de
nodige dienstgebouwen gesticht.
De in 1 8 5 1 gegraven kom is de tegenwoordige Oranjekom, de plaats
waarin het uit de duinen gepompte water verzameld en vanwaar het,
na eerst te zijn gezuiverd, naar Amsterdam wordt geleid. Allengs ont-
stond hier een net van waterleidingkanalen, waarvan wij de namen en
tijd van aanleg laten volgen: Sprenkelkanaal (1852— 1854), Rozen-
waterkanaal (1852-1854), Oude Zwarteveldkanaal (1852-1854), Van
Lennepkanaal (1856), Barnaartkanaal (1865), Nieuwekanaal (1872),
Schusterkanaal (1879), Van Limburg Styrumkanaal (1883), Wester-
kanaal (1886), Boogkanaal (1886) en Ringkanaal (1929). De opge-
pompte hoeveelheid water, aanvankelijk op x\ miljoen m 3 berekend,
steeg al direct tot 2 miljoen m 3 . 'Vloeit, held're spranken, op den wenk
van Willems zoon verkregen! Bruist als een koninklijk geschenk, Zijn
dank'bre hoofdstad tegen!' dichtte Nicolaas Beets op de waterleiding,
maar de Zandvoorters waren minder geestdriftig, want er werd steeds
meer water aan de duinen onttrokken.
Ter bestudering van dit vraagstuk is pas jaren later een commissie in-
gesteld, die in 1891 een rapport uitbracht, waarin het volgende wordt
gezegd: In de eigenlijke duinen hebben wij te rekenen met de hout-
cultuur en de aardappelteelt. De houtcultuur is intussen van weinig
gewicht; wel is waar worden hier en daar goede eigen gezaaide berken-
bossen in de vlakten aangetroffen, doch deze hebben, wegens het
moeilijke vervoer, betrekkelijk weinig waarde. Indirect gaven zij aan
de eigenaars enig voordeel, door de verbetering van de humuslaag.
Kanalenaanleg, welke in den regel met wegenaanleg hand aan hand
gaat, kan in dit opzicht slechts verbetering aanbrengen. Een hoge
grondwaterstand is in elk geval voor de boomgroei eer na- dan voor-
delig. Feitelijk is de boomgroei dan ook in de laatste jaren niet achter-
uitgegaan.De aardappelteelt was in de Zandvoortse duinvalleien aan-
vankelijk van weinig betekenis en kon dat dan ook niet zijn, zolang
niet door voldoende drainering het waterbezwaar was weggenomen.
De ontoegankelijkheid der duinen door het ontbreken van goede
wegen, stond de uitbreiding van die cultuur in de weg.
Behalve in de omgeving van Zandvoort, waar mestaanvoer vrij ge-
makkelijk kon plaats hebben, werd indertijd in de duinvalleien
slechts een vijftal woningen aangetroffen, namelijk in het Paradijs, het
Rozenwater, het Zwarteveld, het Zandvoortvlakje, het Pannenland,
wier bewoners door de verbouw van aardappelen in hun onderhoud
42
voorzagen en enig jong vee tot mestmaking hielden, waarvoor echter
de wintervoeding van elders moest worden aangevoerd of waarvan
een gedeelte, zoals vroeger op Bentveld, in het najaar werd verkocht.
Meer algemeen is de aardappelteelt pas in zwang gekomen na het op-
treden van de landelijke aardappelziekte in 1845. De meerdere uit-
breiding van die cultuur valt dus samen met het tijdperk, waarin voor
de werken van de waterleiding de grondwaterstand in de duinstreek
geleidelijk is verlaagd.
De aanvankelijk goede uitkomsten met dit bedrijf verkregen, werden
langzamerhand op vele plaatsen slechter en men liet niet na dit ver-
schijnsel op rekening van de waterleiding te schuiven. De commissie
meende echter, dat dit ten onrechte geschiedde en stelde vooral in het
licht, dat in de eerste jaren uitsluitend roofbouw werd gepleegd, het-
geen zich in de latere jaren begon te wreken. De geschiedenis heeft
echter bewezen, dat de commissie volledig ongelijk had. De onttrek-
king van het water aan de duinen is er de oorzaak van geworden, dat
de eertijds zo bloeiende aardappelteelt geheel verdween.
De spoorweg
Naarmate het aantal badgasten toenam, deed zich het gemis aan een
goede vervoersmogelijkheid steeds nadrukkelijker gevoelen. Om hier-
aan tegemoet te komen, ging de directie der Hollandsche IJzeren
Spoorweg Maatschappij er toe over om gedurende het badseizoen da-
gelijks enige treinen te laten stoppen aan de Zandvoortselaan nabij
de Leidsevaart. Deze eenvoudige halte was de voorloper van het tegen-
woordige station Heemstede-Aerdenhout.
Het verlangen naar een rechtstreekse spoorverbinding met Zandvoort
bleef echter bestaan, maar de plannen hiervoor stuitten op veel verzet.
De spoorweg zou immers moeten worden aangelegd door de mooiste
delen van de wildrijke duinen. Het was dus niet gemakkelijk de tegen-
stand van de jachtheren en grootgrondbezitters te overwinnen. Toch
gelukte het een zestal ondernemende mannen ten slotte te zegevieren,
nadat zij de concessie voor een spoorweg van Haarlem naar Zand-
voort, die inmiddels aan Ir. Kuinders was verleend, hadden kunnen
overnemen.
In het bijvoegsel van de Staatscourant van 6 januari 188 1 is de
stichtingsacte van de spoorwegmaatschappij afgedrukt. Hierin staat
o.m., dat de heren Gustav Eltzbacher c.s., koopman te Amsterdam, en
Eduard Jacob Kuinders verklaard hebben volgens het ontwerp, waar-
aan op 20 november 1880 de koninklijke bewilliging is verleend, op
te richten een naamloze vernootschap van koophandel onder bena-
ming van Haarlem-Zandvoort Spoorwegmaatschappij. De N.V. was
te Amsterdam gevestigd en zou eindigen, nadat de concessie negentig
jaar van kracht was geweest.
Als beginpunt van de nieuwe lijn koos men het station Bolwerk-Haar-
lem, waarin het Bureau van Exploitatie der Haarlem-Zandvoort-
43
Trap van het station naar de Passage. Verz. G. N. de Heer
Spoorweg-maatschappij werd gevestigd. Na westwaarts door de Scho-
terveenpolder te zijn gegaan, bereikte men de halte Overveen. Ver-
volgens keerde de spoorweg zich naar het zuidwesten langs het wel-
bekende Kolkje en door de duinstreek om te eindigen aan het Station
Bad-Zandvoort. Op ro december 1880 legde men de eerste hand aan
de aanleg van de spoorbaan en reeds op 7 mei 1881 maakte men de
proefrit van het beginpunt naar het eindstation.
Het station Bad-Zandvoort lag voorlopig nog eenzaam in de zee-
duinen, maar in de onmiddellijke nabijheid had de Bouwgrond On-
derneming 'Zandvoort' uitgestrekte terreinen gekocht met het doel er
wegen en straten op aan te leggen en er gebouwen op te stichten of ze
als bouwterrein te verkopen. De plannen voor de aanleg werden ont-
worpen door architect J. C. van Wijk te Rotterdam, die aldaar de
eertijds zo bekende Passage had gebouwd. Ook voor Zandvoort ont-
wierp hij een Passage, die men van het station uit langs een monumen-
tale trap bereikte. De Passage bevatte een twintigtal flinke winkels en
werd aan de zeezijde begrensd door de Kurzaal. Behalve ruime hotel-
gelegenheid bevatte dit gebouw tevens een concertzaal en enkele
kleinere zalen. Aan de zeezijde bevond zich een groot terras.
Voorts stichtte men het Grand Hotel, dat een internationale ver-
maardheid kreeg, doordat daar vrijwel iedere zomer veel aanzienlijke
buitenlandse, waaronder verschillende vorstelijke families uit Duits-
land, logeerden. Er waren ook veel Duitsers, die hier uitsluitend voor
zomerverblijf een villa kochten of lieten bouwen. Vooral toen er een
44
rechtstreekse treinverbinding door Duitsland met Bazel tot stand
kwam, nam het bezoek van onze oosterburen sterk toe.
Duinnamen
In een overzicht als dit kunnen wij niet gaan uitweiden over het ont-
staan der duinen, maar wel willen we het een en ander over de namen
van sommige duinterreinen vermelden. De naamgeving werd vooral
in de 19de eeuw noodzakelijk, toen men het telen van duinaardappelen
meer intensief ging beoefenen en het van belang werd, dat men de
akkers mondeling kon aanduiden. Oorspronkelijk was er alleen sprake
van de noordelijke, oostelijke en zuidelijke duinen. Men noemde die de
drie Zandvoortse duinen. Hieronder zal ik nu de belangrijkste namen
vermelden en daarbij tevens trachten een verklaring te geven. Aan de
Noordboulevard, bij het tegenwoordige Bad Riche, heeft men de
Zijpedel die genoemd is naar het daar in de nabijheid op 22 september
1742 gestrande Compagnie-schip Oude Zijpe. Aan het begin van de
Bloemendaalse Zeeweg ligt een veld De Lakens, dat zijn naam even-
eens ontleent aan een gestrand schip, in dit geval geladen met manu-
facturen. Nadat het schip was wrak geslagen, heeft men de aange-
spoelde lading (laken) daar ter plaatse in het duin geborgen. De
romantische opvatting van Ir. E. C. M. Roderkerk (in De Kennemer
Duinen, van vloedlijn tot binnenduin) als zouden deze Lakens naar
de voormalige wit-bloeiende en rechthoekige aardappelakkers zo
heten, meen ik niet te mogen aanvaarden. In De Kennemer Duinen
(gemeente Bloemendaal) zijn nog drie namen aldus door Zandvoortse
strandjutters gegeven: de Butterkop, de Lattendel, de Peper edel.
Meer noordelijk, achter de zeereep, krijgt men eerst het Langerak,
daarna het Houtglop en vervolgens Abrahams-schoot. Het Houtglop
ligt in de buurt van strandpaal 59. De naam houdt de herinnering
levendig aan de tijd, toen de zeereep daar nog laag was en veel openin-
gen vertoonde, waardoor het zeewater bij hoge vloeden vrijelijk het
duin kon binnendringen. Het moet zelfs zijn voorgekomen, dat bij de
zevende paal om de noord na de stormvloed het aanspoelende strand-
hout achter de zeeduinen dreef. En daarom gaf men die plaats de
naam Houtglop.
Het spreekt vanzelf, dat het hoogheemraadschap Rijnland maatrege-
len trof om het binnenstromen van het zeewater te bestrijden. De
beste methode hiervoor is het planten van helm en duindoorns. In-
dien dit deskundig geschiedt aan de zeezijde van het duin, zorgt de
wind voor de rest. Deze doet het zand tussen de geplante helm stuiven,
zodat de groei bevorderd wordt. Voor hun werk in de najaars- en
wintermaanden sloegen de helmplanters een grote tent op, die in
verband met de veelvuldige stormen op een beschutte plaats moest
staan. Waarschijnlijk ontleent bovengenoemde duinvallei daaraan de
naam Abrahams-schoot.
Meer naar het noorden bevindt zich weer een groot veld, de Noorman.
4*
Deze naam herinnert aan een Noors schip, dat daar vermoedelijk
meer dan twee eeuwen geleden is gestrand. Het wrak van dit schip
kan nog altijd in zee worden waargenomen.
Een weinig oostelijker ligt de Huttenvlak. Vroeger werden ook daar
aardappelen verbouwd. De spitters die er werkten, bleven de hele
week in het duin en woonden dan in hutten van plaggen en helm; van-
daar de huidige duinnaam. Nu enige namen uit de zuidelijke duinen.
Een laagte in het duin noemt men del en een laagte tussen twee duinen-
reeksen vlaaie, een verbastering van vallei. Vroeger begon de eerste
vlaaie achter de Hogeweg en die liep door tot aan het Worsten-
vlak.
Daarna komt men in het Flessenveld en dan, altijd achter de zeereep
blijvende, langs het Kalverenvlak, aan het Nieuwe- en Oude-Tonnen-
gat. Daarop volgen de Kruisdel, het Doodshoofd, de Krentenbol, het
Dorenvlak en de Oude Haasvelderweg. Dan is men aan de grens van
het grondgebied van de gemeente Zandvoort.
Onderweg is men ook enige waterkuilen gepasseerd. Eén daarvan is
de Franse kuil. Deze dankt zijn naam aan Franse zeelieden, die hier
jaren geleden schipbreuk leden en na het strand te hebben bereikt in
het duin verdwaalden. Zij moeten om hun dorst te lessen een water-
kuil hebben gegraven. Later is de kuil door de spitters en helmplanters
in stand gehouden.
Even vóór het Flessenveld leidde het pad van Lukas over de zeereep.
De naam hiervan houdt ook verband met een stranding. Nu was
echter niet het schip — de op 31 december 1877 gestrande brik Maria -
de aanleiding, maar de kapitein, die op een bekende Zandvoorter leek.
Het meest bekende veld in het zuidelijk duin is ongetwijfeld het Para-
dijs. Vóór de aanleg der kanalen van de waterleiding was het Paradijs
of Paradijsveld een weiland en stond daar een boerderij. Door de
waterleiding droogden de gronden echter zo uit, dat ze voor grasland
totaal ongeschikt werden. De boerderij werd gesloopt en een jachtop-
zienerswoning kwam er voor in de plaats. Ook deze is reeds jaren ge-
leden afgebroken. Thans wijst nog enig puin in het uitgestrekte veld
de plek aan waar vroeger de boerderij stond.
Het Paradijsveld wordt aan de oostzijde begrensd door het Stenen-
veld; aan de ene zijde daarvan ligt het Levervlak met de Levervlaks-
duin en de Scheveduin en aan de oostzijde is de Schor. Door de Schor
komt men aan het Barnaartkanaal en daarna aan de voormalige Ren-
baan. Ten zuiden hiervan bevindt zich weer de oude Vinkenbaan en
nog zuidelijker ligt het Kromboomsveld, waarin vroeger ook een
boerderij stond. In dit veld is een steen geplaatst ter herinnering aan
het feit, dat aldaar op 13 april 1945 een geallieerde bommenwerper is
neergeschoten, waarbij zes vliegers omkwamen.
Verder krijgt men als grootste velden: het Pannenland, Vogelenveld,
Zeventigbunders, Hazenleger, Zwarteveld en Stekkenveld. Zuidelijker
nog komt men langs de Oude Haasvelderweg in het Haasveld en aan
46
de noordoostpunt daarvan liggen de Wouwen en Meeuwenbergen.
Nabij het P aardenkerkhof (niet te verwarren met de boerderij van die
naam aan de Zilkerweg), bevindt zich het Hoekgat. Op dit zuidelijkste
punt komen de grenzen van de gemeenten Zandvoort, Bloemendaal,
Hillegom en Noordwijkerhout tezamen. Het kan zijn dat dit Paar-
denkerkhof genoemd is naar de grensafbakening, die vroeger wel door
het gebeente van grote huisdieren is geschied (vergelijk het Paarde-
koppenvlak in de Kennemer Duinen).
Door de oostelijke duinen - tussen Zandvoort en Overveen - liep het
zogenaamde Vispad, de gebruikelijke weg naar Overveen en Haarlem.
Dit pad begon in de tegenwoordige Haltestraat, ongeveer ter hoogte
waar thans het café Bluijs is. Daar stond de Kousenpaal, waarover
men ook in het hoofdstuk over de klederdrachten kan lezen. Het Vis-
pad werd in hoofdzaak gebruikt door de vislopers. Bij de Kousenpaal
trokken zij hun kousen en schoenen of klompen uit en liepen dan
barrevoets, duin door, via de Kooitjesblenk en Akemanswater naar
Kraan tjelek en Haarlem. Bij de Kousenpaal was men al in duin; er
stond daar geen enkel huis. Het oorspronkelijke pad liep vrijwel in
dezelfde richting als thans de spoorbaan, het tegenwoordige Vispad
loopt aan de zuidzijde ervan.
Akemanswater is een diepe del, die langs het Vispad aan de oostzijde
van de Kooitjesblenk is gelegen. Vroeger stond er 's winters water in
die del, gelijk dit het geval was op veel andere plaatsen in het duin.
De naam moet zijn ontleend aan die van een inwoner van Overveen,
Akeman geheten, die op een donkere winteravond van het pad af-
dwaalde en in het water van de del verdronk.
De vissers en vislopers, die van het Vispad gebruik maakten, hebben
in het laatst der zeventiende eeuw de hofstede Dalenberg bij Kraantje-
lek geplunderd en vrijwel gesloopt. Deze hofstede werd in 1690 voor
een paar honderd gulden verkocht aan een vrij onbetrouwbaar koper,
namelijk aan Isaac van Nikkelen, avonturier en perspectief-schilder. De
plaats had toen reeds vele jaren half woest gelegen en het werd alras
duidelijk, dat de nieuwe eigenaar er geen zijde bij zou spinnen, omdat
de belasting op een zo improductieve bezitting te zwaar zou drukken.
Maar Van Nikkelen beweerde het tegendeel, want hij wilde hier
witte moerbeziënbomen planten en met behulp daarvan de zijde-
cultuur (Haarlem was er beroemd door) en de zijdeweverij uitoefenen.
Onder dat voorwendsel liet hij alvast het geboomte van de plaats ver-
kopen en ook de fraaie vloeren uit het huis; hetgeen hem veel meer
opbracht dan de gehele koopsom had bedragen. De magistraat van
Tetterode (Overveen) vertrouwde de guit niet, want men wist dat hij
de middelen niet bezat om dit goed te exploiteren en dat hij daarop
drukkende lasten niet zou kunnen of willen voldoen. Maar niemand
kon hem beletten Dalenberg te plunderen; het was alles zijn eigendom.
Het gebeurde gelijk men vreesde; toen de citroen was uitgeknepen,
werd ze weggeworpen. Er kwam niets van de voorgewende onder-
47
Stranding van Z. M, Cycloop, 2.1. 1855.
neming; het plan van de zijde-cultuur had dienst gedaan en Van
Nikkelen had de belastinggaarder vernikkeld. Naar zijn eigendom
keek hij niet meer om. Sindsdien werd Dalenberg nog verder geplun-
derd door de Zandvoorter vissers, die in het voorbijgaan vensters en
deuren, kasten en daarna zelfs de zolders en de trappen afbraken om
dit alles als brandhout mee naar huis te nemen.
Tot slot noemen wij nog in het noordelijk duin: het Hondenvlak, het
Oude Huisje, de Caesar, het Wurmenveld, het Abelenvlak, het Stalen-
veld, het Oude en het Nieuwe Exerceerveld, de Bokkendoorns. En in
het oostelijk duin: de Ezelenkelder, de Appelenberg, de Tonnenberg en
het Zandvoortervlakje.
Het reddingswerk
In een overzicht over de gebeurtenissen sinds het begin van de negen-
tiende eeuw mag het reddingswerk aan de kust zeker niet ontbreken.
Op 11 november 1824 werd te Amsterdam de Noord- en Zuid-H ol-
landsche Redding-Maatschappij opgericht. Onmiddellijk liet zij negen
boten bouwen, die in februari 1825 werden gestationeerd te Ameland,
Terschelling, Texel, Huisduinen, Callantsoog, Wijk aan Zee, Zand-
voort, Noordwijk en Katwijk. Het waren zgn. Groenlandse sloepen,
die onzinkbaar waren gemaakt door een opvulling met Overijselse
48
biezen onder de doften. Ten einde de veiligheid van de roeiers te
bevorderen werden aan hen scaphanders of zwemvesten verstrekt, die
zij op iedere tocht met de boot moesten aandoen.
De Zandvoorters hadden al spoedig succes met hun nieuwe boot. Im-
mers op 5 februari 1825 gelukte het hun de uit elf koppen bestaande
bemanning van het gestrande barkschip Virginia te redden. Dat de
Zandvoortse roeiers in de loop der tijden een goed figuur hebben ge-
slagen, moge blijken uit het volgende staatje, waarin alle schepen zijn
vermeld, waarvan door hen schipbreukelingen werden gered:
gered
gered
Virginia
5- 2-1825
11
Wierdina Hendri
ka
Brittannia
20- 2-1831
6
19- 9-1866
f
Cornelia
4-11-1833
5
Aidwell
25-12-1868
6
The Good Will
18-10-1834
5
Appeline
14- 9-1869
10
Dorothy
3" 3-1835
8
Alexandre
20-10-1869
11
Amanda Rosalia
21- 6-1835
4
Henrïètte
23-10-1874
11
Isis
9-12-1836
8
Penwith
20-11-1875
4
Grev Herman Wedel Jarsberg
Paul Ernst
23-11-1877
3
6- 3-1837
9
Greifswald
25-H-1877
2
Emanuel
26-10-1840
6
Maria
31-12-1877
6
De Jonge Pieter
24- 9-1842
5
St. Nicolaas
1- 1-1880
V
Wohlfahrt
9-11-1850
6
Antina
18-12-1881
5
Geertruida Johanna
Content
4-12-1883
4
8-10-1851
6
L'Indépendence
22- 1-1884
6
Oscar
22-10-1854
4
Rust en Werk
29-12-1891
8
Holdenis
4-12-1854
5
Forsete
8-12-1895
6
Euphrasie
8-12-1854
8
Schouwen II
16- 1-1904
4
Cycloop
2- 1-1855
if
Alba 3
1/1-1/2-1905
28
Amphitrite
17-12-1857
10
Hermanos
21-12-1919
2
Jantina Alida
20-10-1865
9
Heinrich Podeus
24-11-1928
23
C. A. Banck
1- 3-1949
18
Het ligt voor de hand dat men niet altijd even fortuinlijk was en dat
de bemanning van de reddingboot er niet steeds in mocht slagen de
schipbreukelingen te redden. Dit was o.a. het geval op 29 mei 1860
tijdens de beruchte Pinkster storm, waardoor veel schepen zijn ver-
gaan. Alleen al tussen Zandvoort en Noordwijk waren er op die dag
vier schipbreuken en niemand kon hierbij worden gered.
Een treffend voorbeeld van een stranding met noodlottig gevolg was
de schipbreuk op 8 november 1869 van de Louisa Christina, een Hol-
landse bark onder kapitein Visser. Dit met hout geladen schip was bij
de oudere Zandvoorters algemeen bekend als de Balkenman. Ongeveer
5 uur 's nachts, tijdens vliegende storm uit het noordwesten liep het
op de vierde bank, ter hoogte van de Strandweg. Onmiddellijk hierna
gaf het schip noodseinen, die op de wal werden opgemerkt. Maar nog
voordat de reddingboot op het strand was, hielden de noodseinen op
en bemerkte men niets meer van het schip, totdat omstreeks 6 uur in
de morgen een man uit de zee kwam kruipen. Dit bleek de kapitein te
zijn, aan wie het gelukt was een balk te grijpen en die zo aan land had
weten te komen.
49
^LÉlt;^
Groot Badhuis uit zee gezien. Links de 'vierboet'. (Verz. G. N. de
Heer)
Hoe spoedig het schip verbrijzeld werd, bleek uit het relaas, dat de
kapitein Visser deed. Hij was juist van het dek in zijn hut gekomen,
toen hij voelde dat het schip opeens op een bank stootte. Daar hij wel
begreep, dat het thans om zijn leven ging, vloog hij na zijn laarzen te
hebben uitgetrokken naar het dek. Daar gekomen zag hij, dat het
scheepsvolk de sloep reeds had gestreken en daarmee aan de lijzijde
van het schip op hem wachtte. Men riep hem toe spoedig in de boot
te komen, daar men vreesde dat die te pletter zou slaan, wanneer
men nog lang in de nabijheid van het schip bleef liggen.
In de weinige ogenblikken, die verlopen waren tussen de stranding en
het aan het dek komen van de kapitein, was het schip reeds zodanig
verbrijzeld, dat Visser over de naar buiten geslagen balken van het
wrak in de sloep kon overstappen. Onmiddellijk werd nu de koers
gezet naar het strand, maar toen men de beschutting van de lijzijde
van het schip niet meer had, werd de sloep door een geweldige golf
belopen, die haar geheel vol water sloeg. Bij de volgende golf kap-
seisde de boot en alleen de kapitein, die door het uittrekken van zijn
laarzen in een iets gunstiger conditie verkeerde, mocht het gelukken
het hoofd boven water te houden en heelhuids het strand te bereiken.
Zo was dus, precies één uur na de stranding, de gehele equipage op de
kapitein na verdronken en het schip totaal verbrijzeld.
5°
Het badleven
Algemeen wordt aangenomen, dat Zandvoort een badplaats werd,
nadat het voor 1828 gebouwde hotel Groot Badhuis in gebruik was
genomen. Dat is natuurlijk niet geheel juist. Er kwamen 's zomers wel
gasten, doch van bad- en strandleven was geen sprake, want aan
baden in zee werd in die tijd nog niet gedaan. Strandstoelen, bad-
koetsen of andere accomodatie voor de gasten waren aan het strand
niet te vinden.
Men kon dan ook alleen reklame maken met de kwaliteit van het
badwater in de kuipen van het hotel, zoals blijkt uit een drietalig
biljetje van het Groot Badhuis (uit 1830): 'Dit etablissement beveelt
zich aan door de nabijheid der steden Amsterdam en Haarlem, gelijk
meede door de schoone omstreken van Bloemendaal en Heemstede.
De baden zijn hoogst gemakkelijk ingerigt, het zeewater is voorname-
lijk daar ter plaatse bijzonder sterk, daar Zandvoort zeer ver van de
monden der rivieren af gelegen is. Het Logement vereenigt goede be-
diening met zindelijkheid; ook zijn de prijzen in hetzelve veel ver-
minderd en rijkelijk onder het bepaalde in andere diergelijke inrich-
tingen. Tot nadere inligtingen vervoege men zich met brieven franco
aan de H.H. Commissarissen van het Zeebad Etablissement te Zand-
voort bij Haarlem. Koninkrijk der Nederlanden.'
Het bezoek nam echter toe en in het midden van de 19e eeuw kwam
mede door gebrek aan hotelcapaciteit het verhuren van gemeubileerde
kamers in zwang. Pas omstreeks 1870 werd de gelegenheid geboden
tot het nemen van baden in zee. Er kwamen een paar hotels bij en toen
in 1881 de spoorwegverbinding tot stand was gebracht, werd de toe-
loop der gasten belangrijk groter.
Op het strand waren nu vier badinrichtingen geopend, die van het
Groot Badhuis, van Driehuizen, van Neptunus (voor het hotel Kauf-
mann, het latere hotel d'Orange) en die voor het Kurhaus of de Kur-
zaal. Toch waren er maar weinig gasten, die zich in zee waagden. In
de meeste hotels was nl. gelegenheid tot het nemen van zeebaden in
zeewater. Dit werd dan door middel van de zgn. waterkar uit zee
gehaald en in de hotels in een badkuip gestort.
Voor het nemen van een bad in zee werd gebruik gemaakt van een
badkoets. Deze stond op hoge wielen en aan de achterzijde, daar waar
zich de deur bevond, was een grote luifel neergelaten, waarna de
bader een bad kon nemen, zonder dat onbescheiden blikken hem
zagen. Vooral de dames kwamen bij zo'n gelegenheid nimmer onder
de luifel vandaan. Ze baadden altijd met assistentie van de badvrouw,
die haar bij de hand hield.
Een grote attractie vormde in die tijd de babbelwagen. Dit was een
grote houten overdekte wagen met een bank voor ongeveer tien per-
sonen er in en één open zijkant. De wagen werd in de branding gereden,
met de open zijde naar de zee gericht, zodat het gezelschap dan on-
gestoord kon genieten.
5i
Een Bad van koud Zeewater
in de Badkamers . . . per 1 uur
Een Bad van warm Zeewater
in de Badkamers . . . . « * «
Voor een Kunstbad van Staal
in de Badkamers ....«««
Voor een Kunstbad van Zwavel
in de Badkamers ....«««
Voor een Bad met de Bad-
koets « « <c
Voor een Bad met de Bad-
kar « « «
Bij Abonnementen voor 25 en meer Ba-
den, waar voor Lootjes aigegeven wor-
den , wordt ook 10 pGt. korting toe-
gestaan, en 20 pCt. voor de Logeer-
gasten in het Badhuis.
NB. De Lootjes zijn slechts geldig voor
het loopende Bad - saizoen.
Stalling van 1 paard
dito « « « . per 24 uren
Extra Stroo per paard
Voeder, hetzij Haver, of Haver met Boo-
nen , per mandje van twee koppen N.
maat
Voor eene plaats in het Koets- of Wa-
genhuis voor een Rijtuig op twee Wie-
len per weck
Voor eene plaats in het Koets-
of Wagenhuis voor een Rijtuig
op vier Wielen « «
Aanmerking.
Ingeval men meer plaatsen op den Stal
ter zijner beschikking wilde hebhen,
dan men werkelijk Paarden heeft, zoo
moet voor ieder plaats extra, worden
betaald, in de 24 uren
Voor het smeren der Rijtuigen, Tuigen
enz. wordt extra betaald, naar gelang
van het daartoe verstrekt smeer.
Baden.
Abonne-
ment,
Stalling.
15A25
60180
15
Sluiting.
Uit: 'Tarief voor het logement, de verver schingen en baden in het bad-
huis te Zandvoort\ i8jj. (Gemeentearchief, Haarlem)
In het begin geschiedde het verblijf aan zee bijna altijd op medisch
advies. De grotere trek kwam eerst, toen de geneeskundigen de zee-
therapie gingen propageren- Het is de grote verdienste geweest van
Dr. Joh. G. Mezger, die in de tweede helft der 19de eeuw leefde, dat
hij zijn patiënten een kuur aan zee ging voorschrijven.
In diezelfde periode onderging het dorpsbeeld grote veranderingen.
Aan de Boulevard de Favauge werden villa's en pensions gebouwd en
aan de Boulevard Paulus Loot verrezen het badhuis Zeeduin en het
pension Wolterbeek, het latere hotel Beau Site. Er werd een gasfabriek
gesticht en in de voornaamste straten kwam gasverlichting. Omstreeks
1887 was er reeds een electrische tram, de eerste van ons land. Deze
liep van de Boulevard de Favauge naar het voormalig park Kost-
verloren. De lijn werd echter spoedig opgeheven. Daarna behielp men
zich in de zomermaanden tot omstreeks 1905 met een paardentram,
die van het spoorwegstation naar het Badhuisplein reed. De indienst-
stelling van 1899 van de elektrische tram van Haarlem naar Zand-
voort betekende een belangrijke vooruitgang van het badplaatsbezoek.
Vooral toen deze lijn enige jaren later daarna werd doorgetrokken
naar Amsterdam. Welk een belangrijke plaats dit vervoermiddel is
gaan innemen, bleek wel bij het afscheid van de laatste tram op
31 augustus 1957.
5*
De gebroeders Eltzbacher - duits-joodse bankiers met allure - hebben
bij de ontplooiing van 'Zandvoort Bad' (zoals men vroeger schreef
en zei, ook bij de Nederlandse Spoorwegen!) een grote rol gespeeld.
Hun 'Kurhaus' (eerste steen gelegd, 25 februari 1881, door Roza Eltz-
bacher) benevens de merkwaardige 'Passage' met zijn statieuze door
leeuwen bewaakte opgang waren pronkbouwsels, een 'Kurort' waar-
dig. Ook van het nieuwe 'Kurhaus' (een stijf - symmetrisch geval) werd,
op 23 maart 191 3, de eerste steen gelegd door een lid uit deze aktieve
familie, Max Otto Eltzbacher. De gebroeders verdienden het derhalve
voort te leven in een Zandvoortse straatnaam, vooral nu heel de glorie
van 'la belle époque' reddeloos is verdwenen op Zandvoort.
Tot aan het uitbreken van de eerste wereldoorlog is Zandvoort in zeer
sterke mate een familiebadplaats geweest, waarmede wij willen zeg-
gen, dat hier dikwijls in het seizoen gehele families logeerden. In de
regel duurde het verblijf vóór 19 14 langer dan thans, nu degenen, die
schoolgaande kinderen hebben, meestal zich beperken tot de vakantie-
tijd. Vroeger was dat anders: een verblijf van drie maanden was vrij-
wel regel en een van vier maanden geen zeldzaamheid. In verband
hiermede bezaten vele gasten hier een huis, dat ze slechts in de zomer-
maanden bewoonden. Na 1920 begon men echter ook te overwinteren.
Aan de natie-vlaggen die op de hotels wapperden, kon men zien welke
buitenlandse vorstelijke personen hun intrek hadden genomen. Zeer
dikwijls waren dat de vlaggen van Duitse vorstendommen.
In de maand augustus stond op het Grand Hotel bijna altijd de vlag
van Lippe-Detmold, omdat de Vorst daar met zijn familie vertoefde.
Keizerin Elisabeth van Oostenrijk (echtgenote van Frans Joseph)
logeerde voorjaar 1884 in hotel Kaufmann en verbleef in 1885 in pen-
sion Paula, een kapitaal huis aan de Noord-Boulevard. Van haar
poëtische proeven is het een en ander bewaard gebleven (zij was in
dezen een geestverwante van de Roemeense koningin Carmen Sylva,
die ook poé'tiseerde) en aan Dr. Johan G. Mezger (1839-1909) had
zij te Zandvoort een trouwe steun en een ware vriend.
Over deze charmante keizerin, als 'Sissy' in de film (Romy Schnei-
der!) en diverse damesbladen welbekend, maakte G. N. de Heer een
documentaire (lente 1965), die de Oostenrijkse president bij diens bezoek
aan Zandvoort werd aangeboden. Vertoonden zich in 1920 de eerste
'strandkampeerders', in 1921 kwam de Zeeweg tot stand, waardoor
Zandvoort ook dwars door het fraaie duinterrein bereikbaar werd.
Brede, meer dan 3 km lange boulevards boden de wandelaars gelegen-
heid van het uitzicht op zee en strand te genieten. En zo scheen de
badplaats steeds aantrekkelijker te zullen worden. Maar de oorlog
maakte een eind aan de voorspoedige ontwikkeling.
De jaren 1942-1945 zullen tot in lengte van dagen in de geschiedenis
van Zandvoort met zwarte kool worden geboekstaafd. Op 23 mei
1942 werd de toegang tot het strand verboden. Dit vonden de Zand-
53
voorters heel erg, maar het was nog maar het begin. Op 6 november
1942 werd de evacuatie afgekondigd, die op 31 december d.a.v. moest
zijn voltooid. Daarna bleef er een triest verlaten oord over, waarin
nog slechts een kleine groep in een beperkt gebied mocht wonen.
Na de voltooiing van de evacuatie werd Zandvoort overstroomd door
slopers. Als een furie heeft de sloopdrift van de bezetter hier gewoed.
Met een groot deel van het dorp werden ook alle badhotels en
pensions afgebroken en zelfs de beide boulevards en de achterliggende
straten werden opgeruimd. Van de 2700 huizen die Zandvoort in
1942 telde, vielen er meer dan 800 onder slopershanden. Uit de lege
huizen die men niet afbrak, werden de lichtleidingen, het sanitair en
dergelijke weggeroofd. Puinvlakte en ruïne, dat was de aanblik die
Zandvoort bood, toen op 5 mei 1945 de dag der bevrijding aanbrak.
P. VAN DER MIJE KCzn.
54
De visserij en de oude kustplaatsen
Merkwaardig is, dat de inwoners van de diverse Noordzeedorpen ver-
schillen in gewoonten, taal of kleding vertonen, maar voor Zandvoort
behoort de eigen kleur tot het verleden. (Nog enkele decennia en dit
geldt voor alle kustbewoners.) Toch waren de punten van overeen-
komst talrijker en belangrijker dan de verschillen. Door vergelijking
met plaatsen waar de traditie het langst heeft bestaan, is het daarom
mogelijk deze ook voor voormalige vissersdorpen tot leven te brengen.
Het behoeft niet te verwonderen, dat er zoveel punten van overeen-
komst in de Hollandse vissersdorpen werden aangetroffen. Men
oefende immers hetzelfde hoofdberoep uit en tussen de opvarenden
bestond een nauw contact. Men bouwde hetzelfde schip en verwerkte
de vangst op dezelfde manier. Men zag zich dikwijls voor dezelfde
moeilijkheden geplaatst, had tegelijkertijd met dezelfde vijanden en
met dezelfde natuurkrachten te kampen. Treffend is daarenboven
tussen de Zandvoortse en de Katwijkse klederdrachten. Wanneer men
de vrouwelijke leden van de Zandvoortse buurtvereniging De Wurf
bij bijzondere gelegenheden het in onbruik geraakte kostuum ziet
dragen, denkt men op het eerste gezicht een groep Katwijkse vrouwen
voor zich te hebben.
Nu wil het geval, dat de schilderachtige bedrijvigheid, die de visserij
eeuwenlang in de Hollandse kustplaatsen heeft gebracht, juist in
Katwijk het langst heeft voortgeduurd. Daar vonden nog in het begin
van deze eeuw Jan Toorop, Willy Sluiter, Blommers, Max Lieber-
mann en Stengelin een laatste gelegenheid om impressie van het oude
Hollandse vissersleven op te doen.
Ook thans nog vindt men in Katwijk en Scheveningen de grootste en
hechtste vissersgemeenschappen van Nederland. Maar vooral Scheve-
ningen ondergaat de grote-stadsinvloed van het aangrenzende 's-Gra-
venhage. Te Katwijk ligt de dreiging meer op ekonomisch gebied en
doet zich naast het probleem van de bevolkingsgroei, de vraag voor,
of in deze tijd van efficiëntie het vissersbedrijf ter plaatse nog
langer zonder haven kan blijven bestaan. Scheveningen kreeg in 1904
zijn haven en daarmee verdween het oude bedrijf van het strand. Te
Katwijk bouwde men in 1907 nog een bomschuit en voeren in 19 13
deze echt-Hollandse schepen voor het laatst van het strand af. Het
was in zeker opzicht een gelukkige omstandigheid dat, naast de ge-
noemde belangstelling van kunstschilders, toen ook de fotografie reeds
door verschillende mensen werd beoefend. Wat zij hebben gekiekt
55
Schuiten op het strand, omstreeks 1910. (Foto Rijksarchief, Haarlem)
vormt thans een waardevolle documentatie bij de verhalen, die nog
talrijke oude Katwijkers kunnen doen over de schepen, waarmee zij
vroeger voeren. Hoe levendig kunnen sommigen vertellen als zij be-
merken niet met een 'buitenstaander' te maken te hebben, maar met
iemand die hun wijze van werken uit die dagen goed kan begrijpen.
En niet alleen zij verhalen van het oude bedrijf, maar ook de voer-
lieden en anderen, die op en om de schepen werkten. Er zijn zelfs nog
enkele scheepstimmerlui, die destijds de laatste bomschuiten hielpen
bouwen. Het is dus mogelijk voldoende materiaal te verzamelen
om het nageslacht een duidelijk beeld te verschaffen van de bedrijvig-
heid, die vroeger langs de Hollandse kust, en ook te Zandvoort, heeft
geheerst.
De beugvisserij
Een der oudste middelen om vis te bemachtigen is de stenen of benen
vishoek, die reeds duizenden jaren geleden werd gebruikt en in ver-
schillende musea is te zien. De vis bijt in het aan de vishoek of haak
bevestigde aas en kan hiervan door de zgn. weerhaak niet weer los-
komen. Op dit principe berust nog de visserij van de zondagvisser,
die de armzalige baarsjes van zijn opgetrokken hengel losmaakt en
eveneens het vangen van de roofzuchtige snoek door de geroutineerde
56
Zandvoortse visser. (Foto Rijksarchief, Haarlem)
sportvisser. Omdat de vangstmogelijkheden toenemen naarmate men
meer vishoeken tegelijk gebruikt, vist men in zee altijd met vistuigen,
waaraan zich meer dan één hoek bevindt. Houdt men daarbij de lijnen
in de hand, dan noemt men dit vissen met de kol of traap. Het echte
kollen, d.w.z. uitgeoefend als beroep, is door de Hollanders vroeger
wel bedreven maar meer vanuit de havenplaatsen en op grote afstand
van huis.
Een andere soort hoekwant-visserij, die zowel vanuit de havens als
vanaf de kunstplaatsen veel meer en veel langer is uitgeoefend, is de
beugvisserij. Hierbij waren vele duizenden vishoeken door middel
van dwarslijntjes (sneuen), bevestigd aan kilometers lange beuglijnen.
De latere Hollandse stoombeugers visten met een beug van ongeveer
1 8 km lengte. Als men de enkele, niet-levensvatbare pogingen, die na
de oorlog van 1940-45 nog vanuit Vlaardingen zijn ondernomen, niet
meerekent, kan men zeggen, dat de beugvisserij op zee daar voor ons
land in 1936 of '37 eindigde. Ook vanuit Zandvoort heeft men vroe-
ger, zij het op bescheidener wijze, de beugvisserij beoefend. Op het
IJsselmeer vist men thans nog met een soortgelijk vistuig op lijnaal.
De schrobvisserij
Hierbij wordt achter het schip een net gesleept, dat de vis opvangt
57
„ < J.K.BOEKLACE & C™ Ousmtt&n. J. Groen .
J.Keeiman. M.vM*tr$tknikel C.VK WcdJ.rMld&Wtrff. LvMtkrWerlftxlii)UPiê/>.
a.
met rctdtnevi.
n.
Z.SenlO.
W.vdneLtrWerff. H.lwtmmtr.
Sfi S.
iiiiiiiiiwm »/
vrit.
YU*mw.
brom.
I IW&Tt .
Vlaggen van de Zandvoortse reders, omstreeks 1850. (Gemeente-
archief, Zandvoort)
die zich op of nabij de zeebodem bevindt. Men moest dus eerst zee-
waardige schepen en enigszins doelmatige netten kunnen vervaardi-
gen, voordat deze visserij kon ontstaan.
Het net heeft een vorm van een langwerpige, van achteren smal toe-
lopende en aan het eind dichtgebonden zak, die uit de aard der zaak
aan de voorkant moet worden opengehouden tijdens de vaart. Vroeger
deed men dit algemeen met een boom, dat is een soort paal (dwars
voor de opening van het net) met aan de punten rechtopstaande,
ijzeren uitsteeksels of beugels, waaraan de voorste uiteinden van het
net waren bevestigd. Het boomnet wordt nu nog maar weinig ge-
bruikt; in noord- west Europa alleen daar, waar met de trawl niet kan
worden gevist. Tegen het eind der vorige eeuw is nl. de boom ver-
vangen door twee scheerborden welke, indien het schip behoorlijk
vaart loopt, het net, waarvan de mond door vleugels is verbreed,
wijder kunnen openhouden. Uit Engeland, waar men dit vistuig voor
het eerst toepaste, is de naam trawl (een enkele maal ook ottertrawl)
ingevoerd. Het eerst werd de trawl door stoomschepen gebruikt, die
haast alle te IJmuiden stonden ingeschreven. Omstreeks 1908 werd
ook door de Scheveningse en Katwijkse zeilloggers overgegaan van
het boomnet op de trawl.
De moderne trawlers zijn dus ontstaan uit de oude schrobvisserij, die
J8
.%t *V Smtffrwr? .
Schuitegat bij Zandvoort. (Rijksarchief, Haarlem)
van uit de kustdorpen werd uitgeoefend. Door de strandschepen, zoals
de bomschuiten, is het trawlnet nooit gebruikt, dus ook niet in Zand-
voort. Wel heeft men vandaar uit eeuwen lang, zij het in beperkte
omvang, aan de schrobnetvisserij deelgenomen.
De vleetvisserij
De vleetvisserij is de jongste van de drie visserijvormen, al schat men
de leeftijd ervan op bijna duizend jaar. Het is begrijpelijk, dat met
de gebrekkige eerste vormen van het schrobnet de vlugge vissen zoals
de haring zich niet lieten vangen. De trekkracht van de primitieve
scheepjes vormde slechts een fractie van die der tegenwoordige kleine
kotters, om niet te spreken van de haringtrawlers. Pas toen men
drijfnetten ging toepassen, die als een gordijn in het water stonden en
waarvan de maaswijdte zodanig was, dat een haring juist zijn kop er-
door kon steken, terwijl de uitwijkende kieuwdeksels hem beletten
deze weer terug te trekken, was het vistuig voor de haringvangst ont-
dekt. Een reeks vaan deze netten aan elkander verbonden en bijeen-
gehouden door één lang dik touw, de reep, vormt de vleet. De lengte
van de vleet is in de loop der tijden uitgedijd tot de tegenwoordige
van 3,5 a 4 km, doch zij was vroeger natuurlijk veel kleiner. Ongeveer
59
8 o jaar geleden visten de bomschuiten nog met vleten die ruim i km
lang waren.
Wordt met het schob- of trawlnet een ruime sortering van vissen op-
gehaald, met de vleet wordt vrijwel alleen haring gevangen. De
haringvisserij is voor ons van de grootste betekenis geworden. Het
eerst werd zij in de zuidelijke Nederlanden, Vlaanderen en Zeeland
(Willem Beukelszoon te Biervliet) uitgeoefend. Later veel intensiever
uit Hollandse steden, die aan open water lagen zoals de Maassteden
en Amsterdam, maar vooral Enkhuizen. Mede uit deze visserij ont-
wikkelde zich de koopvaardij.
Ook de bewoners der kustplaatsen namen deel aan de haringvangst;
sommigen uit de steden, de meesten evenwel op de bomschuiten die
op de eigen woonplaatsen werden uitgereed. Te Zandvoort schijnt
men in geringe mate aan de vleetvisserij te hebben deelgenomen.
Trouwens, in de kustplaatsen was lang niet zoveel met de haring-
visserij te verdienen als in de steden. De aanvoer van de duurdere
pekelharing was nl. alleen voor de steden gereserveerd, voor de sche-
pen van de kust gold een kaakverbod. Zij konden slechts de onge-
kaakte, goedkopere steurharing aanvoeren, die ze grotendeels tot
bokking rookten en dan verzonden.
Tot 1857 heeft deze wettelijke tenachterstelling van de ene groep
Nederlanders ten gunste van de andere geduurd. Toen is de regering
bezweken voor de aandrang, die door de Kamer (o.a. Mr. Donker
Curtius) op haar in toenemende mate was uitgeoefend. De bemoei-
ingen en voorschriften van de overheid, die gedeeltelijk reeds sedert
1500 het bedrijf als een harnas hadden omgeven, waren nu geheel
verdwenen en de schamele vissers van de zijde (kust) konden hun
bedrijf in vrijheid ontwikkelen.
Wanneer de geschiedenis van de visserij van Zandvoort zou zijn be-
schreven, zouden wij daarin vernemen van goede jaren en misschien
nog meer van slechte tijden; van stormen en hoge vloeden, van verlies
aan schepen en aan mensenlevens. Wij zouden kunnen lezen van oor-
logshandelingen, van vijanden en Duinkerker kapers vlak onder de
kust. Van rijke vangsten en zwarte armoede; van moedige reddingen,
maar ook van kibbelarijen over vistuigen en meningsverschillen bij de
afslag.
Zandvoort heeft echter niet, zoals Katwijk, een Dr. Adrianus Pars
gehad, wiens geschiedenis van de beide Katwijken uit 1679 in 1745
een tweede druk beleefde. Of een Ds. W. A. Poort, die in onze dagen
het verdere verloop van Katwijk historisch beschreef in Kondom de
oude Rijnmond. Zo had Scheveningen zijn J. C. Vermaas, die als
plaatselijk onderwijzer zijn vrije tijd heeft besteed aan de Geschiede-
nis van Scheveningen in twee grote delen (1926). Jan Kloos, mr.
bakker, dichter en dorpshistoricus van Noordwijk, deed hetzelfde
voor zijn omgeving in Noordwijk in de loop der eeuwen (1928).
60
Pars, die verschillende gebeurtenissen in de naburige plaatsen opsomt
(zware stormen, kaperij, grote vangsten) noemt Zandvoort in het
geheel niet. Vermaas, die viervijfde van één zijner boekdelen vulde
met de visserij, vermeldt, voorzover ik kon nagaan, Zandvoort slechts
op twee plaatsen en Kloos, van wie men als naaste buur méér zou ver-
wachten, stipt slechts eenmaal Zandvoort aan en dan nog alleen in
verband met het badbedrijf .
Speelde de visserij van Zandvoort dan zo'n ondergeschikte rol? Als
middel van bestaan voor de vroegere gemeenschap wellicht geen min-
dere dan in de andere oude kustplaatsen. Doch Zandvoort zelf was
blijkbaar kleiner en zo was in absolute zin de deelname aan de Noord-
zeevisserij ook van geringer betekenis. Bovendien heeft men de visserij
uit Zandvoort eerder gestaakt dan die uit andere kleinere vissers-
plaatsen langs de kust, zoals Noordwijk.
Ook Prof. Mr. A. Boujon, die in zijn Overzicht der geschiedenis van-
de Nederlandse zeevisscherijen (1885) zoveel bijzonderheden over
andere vissersdorpen mededeelt, laat ons - wat Zandvoort betreft - in
de steek. Slechts eenmaal noemt hij Zandvoort bij de mededeling, dat
vandaar uit, evenals uit alle andere kustplaatsen van Ter Heide tot
Egmond, van oudsher met bomschuiten de steurharingvisserij werd
uitgeoefend.
Al moge Zandvoort dan op geen onderzoeker van de plaatselijke ge-
schiedenis kunnen wijzen, het bezit iets anders waarop genoemde
plaatsen weer niet kunnen bogen. Er bestaat nl. een Economische be-
schrijving van de badplaats Zandvoort in Sloet's Tijdschrift 18de dl.,
5 e st. Weliswaar zijn deze gegevens onvoldoende om een geschied-
kundig overzicht van de visserij samen te stellen in de zin van de
reeds bestaande over Scheveningen, Katwijk en Noordwijk, maar ze
kunnen dienst doen als uitgangspunt voor een beschrijving van het-
geen men omstreeks het midden van de vorige eeuw op en om het
Zandvoortse strand kon waarnemen.
De schepen
In 1860 bestond de Zandvoortse vloot uit 13 schepen. Deze bezaten
het bomschuitmodel, zoals vroeger alle op de kustplaatsen gebruikte
schepen. Deze naam is stellig afgeleid van de vlakke, stevige bodem,
in het spraakgebruik boom (platboomschuit-boomschuit). Het waren
echt- Hollandse vaartuigen; niet in staat om een wedstrijd in het snel-
zeilen te winnen, doch stoer en sterk. Zij konden zelfs bij ruw weer
het strand af- en aanvaren en zij waren door hun grote breedte (ca. de
helft van hun lengte) bijzonder zeewaardig.
De vlakke bodem, de voor- en achterstevens waren van plm. 15
duims dik eiken. De huidgangen of boorden waren onder water i£
duims iepen en boven water van duims eiken. Dit laatste was van
prima kwaliteit, zgn. wagenschot, uit Beieren en Slavonië. De bouw
van de bom had plaats zonder tekeningen. Men gebruikte slechts een
61
De scheepstimmerwerf van Van Duïvenbode aan de Strandweg, naar
een aquarel van omstreeks 1870. Let op het redersembleem (hart)
enkele mal en verder diende de ervaring, die in een reeks geslachten
van vader op zoon was overgegaan.
Deze bouw op het oog had niet plaats aan het water, op een scheeps-
helling, zoals gebruikelijk, doch in een bouwschuur. (De firma Taat
te Katwijk, die in 1907 de laatste bom in ons land bouwde, heeft nog
zo'n bouwschuur in gebruik). Als merkwaardigheid kwam hier nog
bij, dat eerst de huid tot boventoe werd gereed gemaakt, en pas dan
daarin de spanten of inhouten werden aangebracht. De verschillende
onderdelen, zoals het zaadhout (dat veel op een sterke tweede bodem
geleek), de binnenwegering enz., werden door enige duizendtallen y/8
duims houten nagels aan elkaar verbonden. Voor iedere nagel, waarbij
er ook zijn van plm. 50 cm lengte, moest apart met de hand een gat
worden geboord. De huidgangen waren reeds tevoren, met ijzeren
klinkspijkers, koud geklonken. Hierbij werd het oeroude, overnaadse
systeem toegepast-
Ten slotte kwam het dek en het roer en daarna werd de schuit op grote
houten rollen geplaatst om door paarden over planken naar de zee-
kant te worden getrokken. Dit was een belangrijke gebeurtenis, waarin
de hele dorpsgemeenschap meeleefde. Op de werf (alias worref of
wörrej), de tegenwoordige Boulevard, werd de schuit dan verder uit-
gerust of uitgereed, zoals dat heette en werden zwaarden, mast, rond-
houten, tuig, takels en blokken, zeilen benevens de teer en verf aan-
gebracht. Daarna ging hij 'neer', d.w.z. werd hij alweer door paarden
over planken en rollen naar de laagwaterlijn getrokken en nadat ver-
dere uitrusting, vistuigen, victualie en bemanning aan boord waren ge-
komen, koos men zee. Zie voorts: E. W. Petrejus, De bornschuit, een
verdwenen scheepstype, Rotterdam 1954.
Het overzicht van 1860 zegt: de visserij wordt uitgeoefend met 11
pinken en 2 schuiten voor de rompvisserij (= visserij op rondvis). De
62
laatste waren vermoedelijk iets groter. Verder wordt gezegd dat deze
worden getimmerd op de kleine werven der verschillende vissersdor-
pen langs de kust, zoals Scheveningen, Katwijk aan Zee, Noordwijk,
Zandvoort en Egmond. Wanneer we echter enkele regels hoger lezen,
dat er slechts zes timmerlieden waren, waaronder geen enkele scheeps-
timmerman wordt genoemd, dan kunnen wij wel aannemen, dat de
Zandvoortse werf (bouwschuur) geen bommen meer afleverde. Te
Egmond, waar toen ook slechts een klein aantal bommen voer, werd
de scheepsbouw langer uitgeoefend. In de jaren '90 zijn daar nog bom-
schuiten gebouwd, waaronder enkele voor Katwijkse rederijen. De
oudste Zandvoorters weten niets meer van bomschuitenbouw in hun
plaats. Zij vermoeden dat de laatste voor Zandvoortse rekening elders
werden gebouwd.
Hoewel bij de lijst van beroepen in 1860 geen scheepsmakers worden
genoemd, werden wel de kosten (er staat onkosten) van het bouwen
van een pink met tuigaadje genoemd, nl. ± ƒ 4000,-. In de jaren '80
en '90 der vorige eeuw kostte een bomschuit met uitrusting, zonder
netten e.d. te Katwijk ƒ 9000- a. ƒ 10.000,-. Deze was echter groter
dan de Zandvoortse pink. Een schrobnet, door zo'n pink gebruikt,
kostte in 1860 ƒ 150,— waarvan ƒ 50,- aan materiaal.
In de Informatie van 15 14 wordt gezegd, dat de Zandvoorters zich
bezig hielden met vissen 'ende reeden ter zee 10 pinken en 2 haring-
schepen die te Haarlem thuis horen ende hadden 10 a 12 jaar vroeger
14 pinken ende 12 haringschepen'. Hieruit blijkt niet alleen, dat het
aantal haringschepen in die jaren sterk terugliep, maar ook dat de
Zandvoorters te weinig kapitaalkrachtig waren om deze grotere vaar-
tuigen zelf aan te schaffen.
Het is bekend, dat in de 16de eeuw zowel Zandvoortse als Katwijkse
haringkopers-reders zich met hun hele bedrijf in Rotterdam gingen
vestigen en aldus bijdroegen tot de opkomst van deze stad. Zij hadden
ook reeds in de 15 de eeuw de buisvaart vanuit Rotterdam, Delfs-
haven en Schiedam uitgeoefend. De Katwijkse haringkopers-reders ver-
plaatsten echter pas in de begintijd der Republiek (± 1580) hun be-
drijf naar Rotterdam.
In 1860 worden de 13 schepen der Zandvoortse vloot verdeeld in n
pinken en 2 schuiten voor de rondvisserij (kabeljauw, schelvis, wij-
ting). Haringschepen worden in het geheel niet genoemd. Blijkbaar
ontbrak het te Zandvoort toen aan initiatief om van de pas verworven
vrijheid (1857) gebruik te maken voor de haringvangst. Te Schevenin-
gen en Katwijk begon deze visserij toen juist een belangrijke opleving
te vertonen. Hiervoor waren echter grotere en duurdere schuiten nodig
en vooral het vistuig, de vleet, vroeg een voor die dagen belangrijke
kapitaal-investering. Wanneer de laatste haringschuiten te Zandvoort
zijn afgevaren heb ik niet kunnen ontdekken.
Toen de Katwijkse reders in 1752 de prinses-gouvernante wederom ver-
63
zochten om de gevangen haring te mogen kaken, ontbraken de Zand-
voorters niet om dit verzoek te steunen. Het werd ondertekend door 10
Katwijkse, 4 Noordwijkse, 3 Scheveningse en 2 Zandvoortse reders
(Corn. Pieter van Duin en Jan Gijze van Duijvenbode uit Zandvoort).
Als bewijs, dat ook na de Franse tijd de hoop op gelijkstelling van alle
Nederlanders bij de uitoefening van de haringvisserij spoedig de bo-
dem was ingeslagen, moge het verzoekschrift gelden dat, vergezeld
van een uitvoerige memorie, de reders van Scheveningen, Katwijk,
Noordwijk, Egmond aan Zee en Zandvoort in 18 18 indienden bij de
provinciale staten van Zuid-Holland. Wanneer deze het niet schade-
lijk achtten voor de naam van den Nederlandschen haring konden zij
aan de Koning adviseren het verbod op te heffen, dat reeds 25 no-
vember 18 14 was gepubliceerd en waarbij aan 'de visscherijen langs
de kust werd verboden de gevangen haring te kaken, te zouten, en
aldus gezout in pannen, potten of tonnen te leggen'.
In 1822 komen de kustplaatsen onder controle van het Kollege van
de kleine of vers-haringvisserij van de provincie Holland. Daarin
hadden vertegenwoordigers van de betrokken rederijen zitting: name-
lijk twee uit Scheveningen en uit Katwijk en één uit Noordwijk, Zand-
voort, Egmond en Wijk aan Zee. De Zandvoorters doen dus blijkbaar
in de eerste helft van de vorige eeuw, zij het op beperkte schaal, nog
steeds mee aan de haringvisserij.
De dertien schuiten van 1860 vormden de vloot van zes reders. De be-
manning bestond uit vijf a zes man (waaronder ook de schipper en
wellicht een halfwas matroos) en één of twee jongens, wier leeftijd
tegenwoordig verbazing wekt, namelijk tien jaar. Indien de opgave
van 66 tot 70 in 1 860 te Zandvoort woonachtige vissers juist is, moeten
er dus toen nog een twintigtal niet-Zandvoorters de vloot helpen be-
mannen. Een 20 jaar later was dit net andersom, toen de Zandvoorter
visserslieden op schepen uit andere vissersplaatsen voeren, omstreeks
de eeuwwisseling meestal op de stoomtrawlers, waarvan het aantal te
IJmuiden begon toe te nemen.
Het heet, dat de trawlloggers van Scheveningen de langste reizen
maken. Dat schijnt altijd reeds zo te zijn geweest, volgens de overzicht-
schrijver van 1860 kon men daar de pinken al op enige afstand van
het strand ruiken door de gestorven buit, die zij aanvoerden, want
de wijze van conserveren was nog primitief. De Zandvoortse pinken
bleven slechts één etmaal in zee. Dit gaf het voordeel, dat men dage-
lijks levende vis kon krijgen. Hierbij zal de overzichtschrijver hebben
gedoeld op de pinken, die de schrobnetvisserij op platvis dichtbij de
kust uitoefenden. De eerder genoemde schuiten welke de rondvis vin-
gen, visten wellicht wat verder uit de kust en zullen de visserij niet
iedere dag hebben onderbroken voor het afleveren van de vangst.
Deze rondvis werd hoofdzakelijk met de beug gevangen. In de herfst
begonnen ook de kleinere pinken met de beug te vissen. Evenmin als
uit de andere kustdorpen, zal de beugvisserij ook uit Zandvoort na
64
1860 niet lang meer zijn uitgeoefend. De overzichtschrijver geeft van
deze beugvisserij enkele bijzonderheden, De lijn is £ duim dik en van
verschillende lengte. (Te Scheveningen worden er beugen gebruikt van
5.5 km). Op afstanden van ongeveer 2,5 m zijn de dwarslijntjes of
sneuen bevestigd, welke ongeveer 0.5 m lang zijn met aan het einde
een haakje, dat men in het aas verbergt. Bij voorkeur zijn dat garnalen,
welke men destijds in de herfst zelfs van het toen nog aan brak water
gelegen Sparrendam (=Sparendam) ging halen. Bij gemis daarvan een
stukje haring of koelever. Dit zal de overzichtschrijver zelf hebben
kunnen waarnemen. Als hij echter vertelt dat men ook nog platvisjes
uit zoetwater, stukjes van een medusa en kwallen als aas gebruikt,
wordt het waarschijnlijk, dat een grappenmaker hem bij de neus heeft
genomen.
Aan het uiteinde van de beug bevindt zich een zware steen en aan het
andere eind een stuk ijzer van 20 pond, dreglood genoemd. Dit is vrij
licht, vooral als men bedenkt, dat hieraan ook nog een joon (soort
grote dobber) werd verbonden. Na 45 minuten ankeren of zeilen
begon men met het inhalen van de beug. Men had gewoonlijk 16 bak
aan boord en één bak bevatte vier lijnen. Behalve rondvis werd aan
de beug ook nog wel andere vis gevangen, zoals roggen en ponen, die
platvissen zouden achtervolgen en middendoorbijten, 'zodat men dik-
wijls koppen aan het strand ziet spoelen'. Ook de haai wordt terecht
een rover genoemd, die de vis van de beug vreet. Men vangt de haai
ook zelf wel aan de hoek, doch stelt daar weinig prijs op. In armoedige
gezinnen wordt hij soms gerookt en gegeten. De armoede moet dan in-
derdaad groot zijn geweest, want door alle tijden was de weerzin van
de zeeman en vooral de zeevisser, tegen het nuttigen van de onsym-
pathieke haai moeilijk te overwinnen.
Ponen en pietermannen worden een geliefkoosde vis genoemd voor de
Joden te Haarlem en Amsterdam. Dit is, zoals de handelaren in de
vishallen van IJmuiden kunnen beamen, in de loop der jaren zo ge-
bleven. Ook de toevoeging, dat deze vissoorten meer in de algemene
gunst verdienden te delen, kon vandaag zijn geschreven.
De schrijver vond in 1860, dat de visserij te Zandvoort eeuwen in de-
zelfde sleur was uitgeoefend zonder dat men op nieuwe methoden of
andere netten bedacht scheen te zijn. Hij blijkt een voorstander van de
spanvisserij, zoals die na de oorlog ook op de haring bij de Vlaamse
banken (de zogenaamde Breskensharing) wordt uitgeoefend. In de
Zuiderzee vist men met een sleepnet tussen twee botters, zegt hij; men
kan daardoor netten van grotere omvang bezigen. Zelfs heeft hij het
over het bezigen van elektriciteit bij de visserij. 'Op de Fransche kus-
ten vischt men met elektriek licht. En zou er niets van de Engelschen
over te nemen zijn? Al was het maar het gebruik van stalen, i.p.v.
ijzeren haken aan de hoekwant'. Van de conservatieve opvattingen
kan men deze schrijver geen verwijt maken; te meer daar hij later ook
het onderwijs wenken geeft, die pas op de huidige visserijscholen zijn
65
T
SchuLpkar te Zandvoort. (Valenüjn Bing en Braet von Ueberfeldt,
'Nederlandsche kleederdragten' , Amsterdam, 1857. Foto Nederlands
Openluchtmuseum, Arnhem)
verwezenlijkt. Zo wordt ondermeer bepleit geschikte leesboekjes in te
voeren over de natuurlijke geschiedenis van de vissen, de verschillende
soorten visvangst en de nevenbedrijven.
Dat naast deze progressieve ideeën ook het gevoel voor het behoud
van het volkseigen niet ontbreekt, blijkt uit het volgende, na de mede-
deling dat Zandvoort destijds slechts één geplaveide rechte straat had:
'Overigens is men hier van rechte lijnen verschoond gebleven, welke
aan de steden en dorpen dikwijls een groote eentoonigheid bijzetten.
Zandvoort is gelukkig nog niet gemoderniseerd als Scheveningen en
vertoont ons nog al de nonchalance van het karakter der visschers-
levens, geene ongevallige verscheidenheid in het oog van hem, die het
oorspronkelijke in het volksleven nog ter harte neemt'.
Het verkopen van de vangst
De wurf, later gemoderniseerd tot Boulevard, was evenzeer het mid-
delpunt van het leven in de oude vissersdorpen als in de tegenwoordige
badplaatsen. Van daaruit werden de gaande en komende schepen
geobserveerd en de laatste door middel van bakens, of 's nachts flam-
bouwen, naar een goede landingsplaats geleid. Daar wachtten ook de
verwanten van de opvarenden de aankomst van de schepen af en
brachten velen een groot deel van hun vrije tijd door om de dingen
van de dag te bespreken. Daar namen ook de vreemdelingen de eerste
indrukken in zich op van de levendige taferelen, welke zich op en bij
het strand afspeelden.
Waren de bomschuiten eenmaal tegen het strand aangekomen, dan
werd de vangst door in hozen gestoken opvarenden, die door het
water af en aan liepen, in manden naar het droge gedeelte van het
66
strand gedragen (hoos = tot onder de armen reikende lederen broek en
laarzen uit één stuk). De vrouwen van de opvarenden van elke bom-
schuit legden de vis uit en verspreidden ze in porties. Dan kwam de
afslager met de stok om de hoeveelheid vis, die hij zou verkopen, aan
te wijzen. De gegadigden verdrongen zich in een kring om hem heenen
riepen mijn!, als hij met zijn voor oningewijden onverstaanbaar af-
raffelen der prijzen een redelijk geacht bedrag had bereikt. Dat bij
een gelijktijdig mijn wel eens verschil van mening ontstond, met ruzie
als gevolg, valt niet te verwonderen.
In 1860 gaf de afslag elke morgen een levendig beeld aan het strand.
Te Katwijk heeft de visafslag op deze wijze nog bestaan tot 1941,
toen de kustvisserij door de bezetter werd verboden.
Omdat het tijdstip van de afslag afhing van de tijd van aankomst der
schepen en deze weer van de vloed, moesten de belangstellende kopers
worden gewaarschuwd, wanneer de verkoop zou beginnen. Dit ge-
schiedde door middel van de klink. De omroeper ging dan door het
dorp en riep met korte tussenpozen, liefst op de straathoeken zijn
mededelingen rond, na een tiental slagen met de klinkslag op de klink
te hebben gegeven. Dit was een glimmend geschuurde geelkoperen
gong met handvat en 40 a 45 cm middellijn. Volledigheidshalve zij
hier nog opgemerkt, dat de klink ook ging voor andere mededelingen,
zoals van verloren voorwerpen en verkopingen. De klinker van Zand-
voort leeft nog volkomen natuurgetrouw voort onder de leden van De
Wurf. Degenen, die de vis kochten, waren in de eerste plaats de klein-
handelaren, onder wie vooral de visvrouwen, die hun waar al lopende
sleten in Haarlem en omgeving. Merkwaardig, dat deze visvrouwen
en -mannen te Zandvoort met één woord nl. lopers werden aangeduid,
terwijl op Katwijk en, naar ik meen ook elders langs de kust, duidelijk
onderscheid werd gemaakt tussen loopsters en lopers. "Wie dit leest, zal
wel eens een afbeelding hebben gezien van een Scheveningse of Kat-
wijkse visvrouw met speciale grote hoed, waarop de visben of -mand
goed in evenwicht bleef, verder aan iedere arm een beugelmand.
De Zandvoortse visvrouwen echter droegen de visben volgens de
schrijver van 1860 en volgens andere zegslieden niet op het hoofd,
doch op de rug. Daardoor missen zij die frisheid van gelaatskleur,
welke men elders op het platteland aantreft, maar die verbetert, zodra
de visben bij meerdere welvaart afgelegd wordt, zegt Waltlager. En
alsof hij voelt, dat hij hiermee de Zandvoortste schonen tekort heeft
gedaan, voegt hij er onmiddellijk aan toe: 'de natuur laat het ook hier
niet aan enkele prachtstukken der schepping ontbreken.'
Het verwerken van de vangst
Een andere groep kopers vormden de visdrogers. Deze hadden in 1860
4 bedrijven te Zandvoort. Dergelijke droogtuinen bevonden zich
vroeger op alle kustvissersplaatsen, daar drogen destijds de meest doel-
matige wijze van conserveren was. De gekochte vis, meest scharren en
67
schollen, werd door de zgn. snijsters van de ingewanden ontdaan. Een
geoefende kracht kon 500 stuks per dag afwerken. Daarna ging de vis
24 uur in de pekel, gemaakt van ongeraffineerd zout. De juiste sterkte
hiervan was voor de smaak van veel belang. Dan werd de vis met een
in het midden gemaakte opening aan dennen speten (puntige stokken)
geregen, die onder rietmatten werden opgehangen, en het drogen be-
gon. Daarbij moest worden opgepast, dat dit niet te snel ging, opdat de
scharren niet hard werden.
Na deze bewerking legde men de gedroogde vis 'met eene Hollandsche
netheid' in de manden, want, zegt de schrijver 'deze kleine nijverheid
onderscheidt zich in dit dorp door groote zindelijkheid. Ook de speten
worden telkens weer afgeschrapt.' De Zandvoortse gedroogde schar-
ren schenen inderdaad een goede naam te hebben en de Katwijkse oud-
schippers vertellen nog heden, dat zij, wanneer ze vroeger door tegen-
wind of om andere redenen naar Zandvoort in plaats van huiswaarts
voeren om hun vangst te verkopen, daar bijna altijd een wat hogere
prijs voor de scharren maakten. Onze zegsman van 1860 vertelt dan
ook, dat de Zandvoortse scharren, die als Haarlemmer scharren in de
handel kwamen, een betere naam hadden dan die van Scheveningen
en ook, dat zij naar Duitsland werden uitgevoerd, waar men ze in olie
bakte. A. van Collem laat dan ook een Joodse venter de lof zingen
van Haarlemmer-scharren klit-sprotten uit Kiel (Een nieuwe psalm in
Van stad en land, 1906) Het valt op dat in 1860 geen rokers worden
genoemd. Dit is er een bewijs voor, dat men reeds enige tijd was opge-
houden met het uitoefenen der haringvisserij en dat deze eigenlijk
nooit van grote betekenis was geweest. Te Noordwijk, waar in geen
jaren meer rederijen worden gevonden, bestaan immers nog altijd
haringrokerijen. Van de mogelijkheid scharren, ponen en andere vis-
soorten, die in 1 860 te Zandvoort werden aangevoerd te roken, maakte
men toen blijkbaaar ook geen gebruik.
De visdrogerij werd echter door haast iedere inwoner ook voor eigen
gebruik toegepast. Men vormde een wintervoorraadje van gezouten
vis en droogde deze later. Ook werden roggen gedroogd en evenals
stokvis voor het gebruik gebeukt.
Een andere visserij, die op kleine schaaal werd uitgeoefend, was enkele
jaren tevoren begonnen: visserij op zeesterren (vijf voeten). Zij dienden
als mest op het teelland en werden ook naar de toen nog jonge gronden
van de Haarlemmermeerpolder verzonden. Ook op andere kustplaat-
sen werden de toevallig opgeviste zeesterren voor dit doel verhandeld,
doch van een opzettelijke visserij is elders niets bekend.
Een zelfde Zandvoortse bijzonderheid is het garnalenvisseen met de
kro. Dit is een groot soort schepnet, dat men voor zich uitschuift even-
wijdig aan het strand door het water lopend, ongeveer zoals een schel-
penvisser achteruitlopend een overeenkomstig net achter zich aan-
trekt.
Korders zijn mannen die op een paard zitten, dat bij kalme zee tot aan
68
de rug in het water lopend evenwijdig aan het strand een schrobnet
achter zich aantrekt. Zij worden in de lijst van r86o niet genoemd.
Het ging hierbij meest om garnalen, hoewel meermalen ook andere vis,
o.a. tong, werd gevangen. Op andere kustplaatsen deed men dit toen
nog op vrij grote schaal en op Katwijk worden ook nu nog enkele
korders gevonden. Deze zijn echter de laatsten langs de Hollandse
kust en als de garnalen, die de laatste twee jaar verstek lieten gaan,
maar in 1959 terugkeerden, zo zeldzaaam als onze rivierzalmen zou-
den worden, zou ook dit beroep moeten uitsterven.
Ekonomie en loonregelingen in 1860
In 1859 hadden enkele Zandvoortse schuiten ƒ 4000- besomd. Om te
kunnen bestaan moest ƒ 3000,- per jaar worden opgebracht, waarbij
dan echter geen netten verloren mochten gaan aan een heft, d.w.z.
een wrak of ander voorwerp, waaraan ze blijven hechten. Een mo-
derne logger of trawler mocht tegenwoordig deze ƒ 3000,- niet per
jaar, maar per dag boven water halen om rendabel te zijn. Maar de
aanschaffingskosten van een dergelijk schip bedragen dan ook
f 700.000,- a f 800.000-, tegen die van een Zandvoortse pink
ƒ 4000,-.
Interessant is de loonregeling uit die dagen. De verhouding van de
reder en de bemanning der pink was geheel van socialistische aard
volgens de schrijver. Zij had die goede zijde, dat ze het eigenbelang der
vissers aan de vangst verbond. Deze associatie was ook in andere lan-
den bekend.
'Hier en daar geeft het overwicht van het kapitaal wel eens een nadeel
t.o.v. de nijverheid der visschers' zegt hij, en hij geeft dan de loonrege-
ling zoals die te Zandvoort en Scheveningen bestond. Als nadeel noemt
hij de levering van een deel der behoeften, zoals kaarsen, olie, hout
en turf en waarschijnlijk ook de victualiën door de reder. 'De visscher
stelt zich altijd voor, dat hij elders beter en goedkooper waren kan
bekomen. Op dit punt zou de associatie gewijzigd moeten worden en
kan de reeder de winst op de levering der behoefte niet missen, dan
zou het te verkiezen zijn, dat hij eenige percenten meer in de mient
had.' (Het woord mient of miente wordt nog wel aan boord gebruikt.
'Dat is van de mient' wil zeggen, dat is van ons allen of dat is voor
algemeen gebruik, ook wanneer het door de rederij wordt ver-
strekt.)
Dergelijke ongewenste regelingen bij de leveranties van scheepsbehoef-
ten bestonden, voorzover ik heb kunnen nagaan, op andere vissers-
plaatsen niet. Te Katwijk wisten de oudsten zich één geval uit hun
jeugd te herinneren, waarbij een reder tevens eigenaar van een kruide-
nierszaak was. Deze leverde zijn waren aan de eigen schepen en in dat
geval wist men uit den aard der zaak nooit precies hoeveel winst men
daarbij aan de baas betaalde, hetgeen evenals te Zandvoort aanleiding
gaf tot wantrouwen. Bij andere rederijen bestelden de schippers bij de
69
betreffende zaken en zorgden de jongeren onder de opvarenden, dat de
scheepsbenodigdheden aan boord kwamen.
Zowel te Scheveningen als te Katwijk werden de aanschaffingskosten
zonder meer van de ruwe besomming (de koopsom van de vis aan het
strand) afgetrokken. Hoewel ook de verdere aftrekposten van plaats
tot plaats verschilden, was de verdeling van de netto besomming
toch in hoofdzaak gelijk.
Onze schrijver geeft de verdelingen welke in 1860 te Scheveningen en
te Zandvoort werden toegepast. In beide gevallen kreeg de reder eerst
20 °/ van de ruwe besomming; na aftrek der onkosten was de ver-
deling als volgt: schipper r^, reder 1, vol matroos 1, licht matroos i en
jongen \ deel. Verder was er nog verval en zo- vis; hiervan kreeg de
reder ook 1 deel, evenals alle opvarenden van schipper tot jongen. De
zo- vis bestond uit 2 manden (kleine?) schol per reis; was dit een noord-
reis, dus verder van huis en langer van duur, dan waren het 4 manden.
In plaats van de 20 % van de opbrengst der gewone vis, hierboven
genoemd, trok de reder van die der zo-vis maar r %. Deze procenten
noemde men schrijfgeld en dit was bestemd voor de instandhouding
van de rederij.
De reder gaf het vaartuig, onderhield de zeilen en de romp onder de
waterlijn. Hij verschafte jaarlijks 2 netten, 2 lijnen en om het andere
jaar 3 lijnen, 1 stel sprenkels, 1 stel kuiltouwen en 1 stel vallen (= takels
om met de zeilen te kunnen werken). Hij vernieuwde het versleten
hout- en ijzerwerk en gaf om de 6, 7, 8, 9 en uiterlijk om de 12 jaar
een nieuwe romp of hol. (vgl. Engels huil of a ship). Dit laatste houdt
dus in, dat de levensduur van een bomschuit uiterlijk 1 2 jaar was.
De Vennootschap (dus de mient), waarbij óók de reder is begrepen,
onderhield het vaartuig van boven, vergoedde wat er verloren ging en
herstelde het beschadigde. Deze laatste bepalingen golden o.m. voor de
visnetten, de zwaarden en het roer. Bij de beugvisserij moesten de op-
varenden ook het hoekwant onderhouden.
Het bovenstaande had alleen betrekking op de vangst van verse vis,
zowel met het schrobnet als met de beug. In Zandvoort gold dan nog,
dat bij de visserij met schrobnetten de reder i.p.v. 1 deel, ii deel had.
Voor de haringvisserij bestonden andere regelingen, maar dit bedrijf
werd niet uitgeoefend in Zandvoort.
Merkwaardig is, dat zowel de schipper als de jongen met 2 lijnen voor
zichzelf mochten vissen bij uitoefening van de beugvisserij, mits 20 %
voor de reder was. Daar de beugvisserij door bomschuiten omstreeks
1870 is opgehouden, kan niet meer worden nagegaan of deze regeling
ook buiten Zandvoort van kracht was.
Werd in de jaren '80 nog met een 17 schuiten uit Zandvoort gevist, na-
dien daalde het aantal snel. Oude Katwijkers weten nog, dat deze
kleinere bommen aldaar 's zomers, wanneer de grote Katwijkse schui-
ten de schrobnetvisserij hadden beëindigd en op de haringgronden in
het verre noorden vertoefden, hun vangst aan verse vis kwamen ver-
7°
kopen. Zij verschilden van de Katwijkers in een paar bedrijfsgebrui-
ken; zo haalden ze bijvoorbeeld de zwaarden naar voren in plaats van
naar achteren op.
Er zijn later nog enkele van deze herfstschuitjes, zoals ze werden ge-
noemd, omdat zij in de herfst hun beste besommingen maakten, naar
Katwijk verkocht in de laatste jaren van hun bestaan. Wij spraken de
92-jarige Huig van der Plas, oud-reddingbootschipper, maar ook oud-
schipper van zo'n herfstschuitje. Het was de KW.42, met als reder de
heer Durieux, die het rederschap van een familielid te Zandvoort had
overgenomen.
Zo is de visserij van Zandvoort verdwenen. Enkele families, die het
beroep trouw wilden blijven, verhuisden naar Katwijk, maar de meeste
gingen naar IJmuiden. Ook enige vishandelaren, die niet van beroep
wilde veranderen, verplaatsten hun zaak naar IJmuiden, waar ze
reeds met hun hondekarren de vis vandaan haalden. De door tegen-
wind opgehouden vissersvaartuigen liepen namelijk nu en dan al bin-
nen in de nieuwe haven en maakten van de gelegenheid gebruik om
daar meteen hun vangst te verkopen. Dat was het begin van de vis-
markt in IJmuiden en het eind van Zandvoort als vissersdorp.
De laatste garnalenschuit verdween in 1929 van het strand. Het
scheepje werd toen met steun van enige belangstellenden door het
Nederlands Historisch Scheepvaart Museum te Amsterdam aange-
kocht en aan de Gemeente Zandvoort geschonken. In de hongerwinter
1944/45 is het helaas door de achtergebleven bevolking gesloopt.
C. VARKEVISSER
71
Het architectonisch verleden van Zandvoort
Uit de bijdrage van mejuffrouw Kurtz - waaraan hieronder enkele
historische gegevens worden ontleend - blijkt, dat er slechts weinig
bekend is over de oude geschiedenis van Zandvoort. De wijze en tijd
van ontstaan liggen geheel in het duister, al zou men met Zoeteboom
aan een vestiging van mensen uit het achterland (Haarlem e.o.) kun-
nen denken en het in een Hollandse oorkonde van vóór 1120 ver-
melde Santfort misschien op het oudste vissersplaatsje mogen betrek-
ken. Het volgende gegeven van enig belang dagtekent eerst uit 1455,
toen het dorp, dat tot de heerlijkheid Brederode behoorde, reeds een
zekere betekenis had. In genoemd jaar toch werden de privileges van
de schutterij bevestigd.
Hoewel er dus geen bronnen bekend zijn, die licht werpen op de vroeg-
ste ontwikkeling van Zandvoort, zou men zich een voorstelling van
het ontstaan kunnen maken naar analogie van de stichting van Berk-
heide, de fameuze 'lost village' in de duinen. 1 Toen de Graven van
Holland er namelijk in de loop van de middeleeuwen toe overgingen
het hun toebehorende duingebied - de Graeflyckheyts Wildernisse - in
eigendom of erfpacht over te dragen aan edelen, verkreeg Gillys van
Kralingen in 1396 een duinterrein tussen Scheveningen en Katwijk
om 'daer of een heide te maken'. Tevens mocht hij hier erven uitgeven
voor het bouwen van woningen tegen levering van vis en van de 2 je
penning van alle ter plaatse te verkopen goederen.
Aldus ontstond Berkheide of Berkhey, dat overigens geen lang en ge-
lukkig leven was beschoren; voeren in de tijd van Karel de Stoute nog
9 pinken uit, in 1494 was het aantal tot 4 geslonken en in 1515 waren
het er nog maar 2, 'daerof deen vertrecken wil te Catwijck up tzee,
overmits de grootheyt van der scattinge.' De kleine en arme bevolking
behoefde in 1521 dan ook niet meer dan 1 morgen duingrond met
helm te (laten) beplanten, terwijl Wassenaar 14 morgen voor zijn reke-
ning moest nemen. Daarna kwam het einde, want na 1558 komt Berk-
hey niet meer als dorp op een kaart voor, terwijl ook de andere bron-
nen zwijgen. Misschien is het door overstuiving ondergegaan of ver-
woest bij een stormramp als de Allerheiligenvloed van 1 5 70, die ook
Scheveningen en Katwijk teisterde. Op het eind van de 18de eeuw
zouden de blootgewaaide fundamenten nog korte tijd te zien zijn ge-
weest, maar verder herinnert alleen de Berkheistraat in Wassenaar
en sinds de loop van de 17de eeuw de naam (Klein en Groot) Berkhei
voor een (paar) duinpan(nen) aan het verdwenen dorp.
72
Zou de stichting van Berkheide het ontstaan van Zandvoort kunnen
verduidelijken, de naam van deze plaats en de overeenkomstige aan-
leg van Katwijk- en Noordwijk aan Zee verklaren het stedebouw-
kundige uitgangspunt. Voort (voorde) moet dan niet worden be-
schouwd als doorwaadbare plek in een water, maar als doorgang van
de zandweg door de laatste duinenrij naar het strand, dat oudtijds
tevens tot heirbaan diende. Evenals bij genoemde kustdorpen ver-
wijdde deze doorgang zich vóór de zeereep tot een beschutte vallei,
een del, die zich leende voor bebouwing. In de eerste eeuw van zijn
bestaan groeide Zandvoort door deze natuurlijke omstandigheid dus
eveneens uit tot een driehoekige dorpsvorm, waarbij de basis naar
zee was gekeerd. De top werd gevormd door de kerk en de oost-west
gericht hoogtelijn van de driehoek door de Kerkstraat. Aan weers-
kanten hiervan ontstond aan bochtige stegen een ordeloze bebouwing
op bultig terrein.
De lotgevallen van de nederzetting wijken in grote lijn niet af van die
van de andere kustplaatsen. Onder het bewind van Karel de Stoute
schijnt er een periode van bloei te zijn geweest en telde Zandvoort
ioo haardsteden, maar door de expeditie tegen het Kaas- en Brood-
volk in 1489, waarbij het leger van de Hertog van Saksen het dorp
plunderde, en door de pestepidemie van 1493 was het aantal be-
woonde huizen blijkens de Enqueste van 1494 tot 50 geslonken. De
Informatie van 15 14 geeft weer 76 bewoonde haardsteden op bene-
vens 21 lege en 5 gesloopte en vermeldt tevens de aanwezigheid van
10 pinken en 2 haringschepen, die thuishoorden in Haarlem, waar de
vislopers ook voornamelijk hun waar sleten. De onbeduidende land-
bouw had zijn geringe betekenis toen geheel verloren, want de aan het
begin van het dorp gelegen drie krochten (of kroften: groenland, duin-
akker), tezamen 4 morgen, waren ondergestoven.
Daarna ging het bergopwaarts, gezien het feit, dat in 1553 reeds 171
huizen worden opgegeven. De bloei was echter van korte duur, want
het aantal liep in de Tachtigjarige Oorlog weer terug tot 148 in 1632,
terwijl er een eeuw later nog slechts 98 over waren. De stormvloeden
van 1570, 1671 en 1682, de pestepidemieën en de oorlogshandelingen
in de Spaanse tijd moeten als oorzaken voor de achteruitgang worden
gezien. Zo is bekend, dat in het begin van de Tachtigjarige Oorlog
(wellicht tijdens het beleg van Haarlem 1572-73) de laat-middel-
eeuwse kerk gedeeltelijk werd verwoest. In 1583 zal er evenwel een
adempauze zijn geweest, omdat men toen het gasthuis bouwde. Het
beschadigde schip van de kerk kwam blijkens een gedenksteen in 161 8
weer onder - een lager - dak, bij welke gelegenheid ook een nieuwe
torenspits werd aangebracht.
Uit deze periode dateren de vroegste afbeeldingen van het dorp. Een
door H. C. Vroom (+ 1566-1640) op koper geschilderd gezicht (in
part. bez.) toont op het strand getrokken vissersboten met een paar
tentvormige hutten aan de voet van de duinen. Op de achtergrond
73
verheft zich boven een warreling van daken de gerestaureerde kerk
en op een top van de zeereep staat de vuurboet. Duidelijker is dit ge-
bouwtje afgebeeld op een schets van Claes Jzn. Visscher 1586/7-1652)
in het Rijksprentenkabinet. Het had de gebruikelijke vorm van een
gedrongen toren met als smallere bekroning een huisje met een zadel-
dak. Tegen dit bovenstuk waren over het torenlichaam heen enkele
balkons in de vorm van mezekouwen uitgebouwd, waarin het vuur
werd gestookt. 2 Hetzelfde gebouwtje heeft Visscher naderhand geëtst
voor een serie van twaalf prenten, 3 waarvan nummer 3 Zandvoort aan
de landzijde vertoont. Op de voorgrond van het tafereel buigt het
zandpad uit de richting Haarlem zich tussen een paar met riet ge-
dekte woningen en langs het grotendeels gerestaureerde bedehuis naar
de Kerkstraat toe. Op de door een hek omgeven krocht voor het hoge
middeleeuwse koor hangen de netten in rijen aan paaltjes te drogen.
Een volledige aanblik van de landkant schetste R. Roghman ( ± 1620-
1686), maar de details van het door golvende duinen en een weide
met houten haalput omgeven dorp zijn te onduidelijk voor het maken
van nadere gevolgtrekkingen. Er kan slechts worden opgemerkt, dat
het koordak niet meer boven de nok van het kerkschip uitsteekt. Naar
deze gewassen tekening (in Teylers Museum) heeft de kunstenaar een
ets gemaakt, maar deze is minder aantrekkelijk; de tweewielige kar
op het Oude Visserspad is vervallen en de vislopers hebben geen man-
den meer op het hoofd. De overige oude afbeeldingen van Zandvoort
(waaronder een schilderij uit 1662 door Salomon van Ruysdael in
het Frans Hals-museum) brengen — behalve over de kerk — geen
nieuws. Op een paar gebrandschilderde ruitjes uit 1621, die van het
Gasthuis naar het Raadhuis zijn overgebracht, kan men achter de
visserspinken over de duinenrij nog iets van het dorp onderscheiden,
maar de huisjes en de kerk zijn schematisch weergegeven. Duidelijker is
de vuurbaak op een ets van C. Decker (+ 1650—1695) 4 , doch deze
prent geeft minder bijzonderheden dan de ets van Visscher.
Pas in de vorige eeuw wordt het oude zeedorp weer door kunstenaars
ontdekt. J. Jelgershuis Rzn. tekent in 1812 een visserswoning met een
seintoestel op de achtergrond (Gemeentearchief Haarlem), Bing en
Braet von Ueberfeldt beelden behalve de Zandvoortse klederdracht
ook het kustlicht, een visdrogerij en een - schematisch - dorpsgezicht
af, 5 ongeveer drie jaar later ontstaat de gekleurde tekening van Carel
A. Eckstein: een gezicht op het Badhuis en hotel Driehuizen met op
de voorgrond een visser met hoge hoed en kriel en een vrouw met een
mand op haar strooien hoed (Rijksarchief in de provincie Noordhol-
land) en in 1862 tekent C. Ekama het dorp met de kerk van de wurf
af (Gemeentearchief Haarlem). Intussen had Israëls in de Zand-
voortse sfeer al inspiratie gevonden en zijn voorgaan werkte aan-
stekelijk op Liebermann en kleinere goden zoals H. Hulk en de etsers
Graadt van Roggen en Storm van 's Gravesande. In deze categorie
mag eveneens de fotograaf A. Bakels met ere worden genoemd, daar
74
zijn opnamen van een voor die tijd oorspronkelijke visie getuigen.
Minder nog dan de artiesten hebben de kaarttekenaars zich vóór de
negentiende eeuw met Zandvoort beziggehouden. Kort na 1807, toen
het dorp 649 hervormden, 95 roomsen en 3 luthersen telde, is de
eerste nauwkeurige plattegrond vervaardigd: het kadastrale minuut-
plan, dat de landmeter T. J. Nautz op 2 november 1812 voltooide.
Het eigenlijke dorpsgebied was verdeeld in 237 percelen, die voor het
merendeel bestonden uit dicht bebouwde erfjes, tussen de krochten en
de zeereep. De kern werd gevormd door de bebouwing langs een vijf-
tal oost-west lopende paden en wegen, waarvan de namen helaas ont-
breken op de kaart, maar die thans bekend zijn als Kerkpad, Kerk-
straat (de hartader), Kosterstraat, Baan en Rozenobelstraat. Aan
weerskanten van deze kern lagen in de Noord- en Zuidbuurt onsamen-
hangende groepjes huizen als eilandjes in het duinterrein. Van de bij-
zondere gebouwen — waarover later meer uitvoerig - worden hier
slechts vermeld: de reeds koorloze N. H. Kerk, de R. K. kerk in de
noordoosthoek van de kom en de oude vuurboet in het zuidwesten.
Een bij Gemeentewerken berustend plattegrondje van Nautz uit 1 8 1 8
laat de voornaamste wegen zien en de plaats van de N.H. kerk en
het Gasthuis; de overige bebouwing is slechts figuratief aangegeven,
zodat een bespreking weinig zin heeft. De niet veel oudere, ongedateerde
Kaart van de Landerijen gelegen in de Jurisdictie Zandvoort door de
landmeter C. Bisschoppen (Rijksarchief te Haarlem) is nauwkeuriger,
maar ook in dit geval was het doel het in kaart brengen van de juiste
situering van de krochten, Kostverloren, de dorpsstraten, het oude
Visserspad en de Zandvoortse weg.
De Zandvoortse (of Haarlemse) weg, die het dorp - bij het Kerk-
plein - met het achterland verbond, verkeerde in de Franse tijd
door het rijden met zwaarbeladen wagens in zo'n slechte staat, dat de
Aerdenhoutse grondeigenaren hierover in 1802 bij de regering hun
beklag deden. Het verharden van de weg en de doortrekking ervan om
de zuidrand van de kom (de Hogeweg) in 1825-28 betekende echter
niet alleen een verkeersverbetering maar ook het begin van de ople-
ving van Zandvoort. Het ontwerp voor de aanleg van deze straatweg
ontstond in 1824, toen enige particulieren, waaronder D. J. van Len-
nep, het plan opvatten een bescheiden badcentrum te stichten. Met de
bouw van dit Groote Badhuis werd in 1826 begonnen en twee jaar
later vond de opening plaats.
Daarna volgde een aantal gebouwen, die het karakter van het vis-
sersdorp, tenminste aan de buitenkant, geheel zouden veranderen. 6
Aan de landzijde verrezen ten zuiden van de kerk aan de Poststraat:
de pastorie, de onderwijzerswoning, het postkantoor, de woning van
de organist en de openbare school (1859), en min of meer evenwijdig
aan de Hogeweg: een rijtje huizen waaronder de naaischool (1866).
Aan de zeekant was de oude vuurboet (op de zuidhoek van de uit-
75
k«>tt&w<ifer}t«oi £~
monding van de Hogeweg) al vervangen door een zonderlinge vuur-
toren (met twee etages aan de landzijde en één aan de zeekant), die
op een duin voor het eind van de Rozenobelstraat stond, terwijl in
1825 al een onderkomen voor de reddingboot was gevonden naast de
timmerwerf op de Worf. Deze drie bij een vissersplaats behorende ob-
jekten omringde men nu achtereenvolgens door het Groote Badhuis,
Badhotel Driehuizen en Hotel Kaufmann (1879) naast het schoitegat,
de ligplaats voor de op het strand getrokken pinken. Inmiddels was
ook ten zuidwesten van de Hogeweg al een burgerbebouwing tot
stand gekomen, waaronder het Badhuis voor Minvermogenden (1870).
Voor de vissersbevolking werden aan de noordkant van de kom
nog enkele regelmatige rijtjes woningen achter de zeereep gebouwd.
Deze toestand is afgebeeld op de plattegrond ( 1 : 1250), die het ge-
meentebestuur door de Amsterdammer T. Overeem Jzn. in 1882 liet
vervaardigen, toen het inzag, dat men in verband met de snelle toe-
neming van de bevolking (1855: 1170; 1867: 1550; 1881: 2207 inw.)
een nieuw kadastraal plan niet kon ontberen. Wanneer men van deze
kaart genoemde randbebouwing verwijdert, verkrijgt men een goede
indruk van de dorpsstructuur in het begin van de vorige eeuw.
Even voorbij de plek, waar in 1854 de r.k. kerk zou worden gebouwd,
boog de Hogeweg zich in zuidwestelijke richting af van de oude Zand-
voortseweg om langs de duintop, die voorheen de vuurboet droeg, via
het zgn. Ezelpad het strand te bereiken. Na de aftakking liep de Zand-
voortse (of Haarlemse) weg door de duinweiden en vertakte zich vóór
de kerk in de (Grote) Krocht en de Kleine Krocht. De eerste mondde
uit op het Kerkplein, dat naar de hoofdstraat leidde - de Kerkstraat -
die bij de ingang met een rij iepen was beplant en die als uitzondering
76
een regelmatige bebouwing bezat. Op de zuidhoek tegenover de kerk
woonde de dokter in een groot pand en verderop in eenvoudige huis-
jes de reders, die meestal ook de gedwongen winkelnering uitoefenden.
In de Kerkstraat verrees in 1873 ook het nieuwe raadhuis, naar een
projekt van de Haarlemse architect D. E. L. van den Arend, en de
Bazar ten voordeele van het Badhuis voor Minvermogenden, welk
laatste gebouw in 1870 door de Amsterdamse architect S. W. van
Rouendal ten zuidwesten van de Hogeweg was ontworpen.
De Kerkstraat stond in zuidwestelijke richting door middel van het
Bakkerslop en het Poelierslop in verbinding met het Kerkpad (met het
Kerkdwarspad) en het Schelpenplein, het centrum van de chaotisch
gegroeide Zuidbuurt. In noordoostelijke richting leidden het Buurtslop
en het Bodeslop naar de parallel lopende Kosterstraat met het Dorps-
plein, maar het daarachter gelegen wijkje kon men ook via Kerkplein
en Gasthuisslop of Kleine Krocht bereiken. Deze laatste weg splitste
zich na de boerderij, waar Israëls logeerde, in de Baan (weg) en de
Rozenobelstraat, die halverwege het Gasthuisplein begrensden. Ten
noordoosten van deze naar de zeereep gerichte straten bevond zich een
lukraak geplaatste bebouwing aan paden, die later o.m. de namen
Swaluëstraat, Achterom, Gasthuisstraat, Kruisweg en Pakveldstraat
zouden krijgen: de Noordbuurt.
Het aan de rand van de kom gelegen pakveld, waar de netten werden
geboet, stond over de laatste duinenrij in verbinding met het schuiten-
gat, de Rozenobelstraat leidde naar de vuurtoren en de Kerkstraat
77
De Rozenobelstraat, naar de schilderij van Max Liebermann (1889).
naar de Worf . Hier lag de timmerwerf van de scheepsbouwer Duiven-
bode, rookte men vis voor eigen gebruik en kwam men in het alge-
meen samen voor een praatje.
De schilderachtige sfeer van deze buurtjes is omstreeks 1900 vastge-
legd door de fotograaf Bakels en door een anonieme tekenaar, wiens
aantrekkelijke schetsen in de topografische atlas in het Haarlems
Gemeente-archief berusten. Uit een iets oudere periode zijn voorname-
lijk genrestukjes met slechts enkele bouwkundige details bekend. Een
78
uitzondering vormen het primitieve schilderij uit 1882 door de huis-
schilder P. H. van den Bos, verbeeldende vechtende jongens op het
Dorpsplein (in het café Het Wapen van Zandvoort) en een schilderij
uit 1880 van Liebermann, waarop men de nog onverharde Rozenobel-
straat ziet met een van de openbare pompen. Voor de witgekalkte
huisjes met rode zadeldaken staan vissersvrouwen te praten, spelen
kinderen en scharrelen varkens in het zand. Het is niet de omgeving,
waarin de rozenobels — gouden munten - rolden, zodat de straat door
spotters aan haar naam gekomen kan zijn.
De kerk
In de eerste eeuwen van zijn bestaan, toen Zandvoort achtereenvolgens
tot de parochies van Haarlem en Overveen behoorde, zal het slechts
een bescheiden kapel hebben bezeten. Wanneer deze door de Grote
Kerk van de H.H. Agatha en Adrianus is vervangen, is niet bekend.
Wellicht geschiedde dit in de bloeitijd onder het bewind van Karel de
Stoute, toen het dorp 100 haardsteden telde. De stijl van de behouden
toren is met deze datering niet in tegenspraak. Bovendien zij vermeld,
dat bij de overval door de Hertog van Saksen in 1489 ook de kerk
geplunderd werd en dat er blijkens de Informatie al vóór 15 14 een
onderpastoor aanwezig was. Het jaartal 1493 op de luiklok (met rand-
schrift: Jhesus.es. mi. den.naem.ghegeven. int. jaer.ons.heren.m.cccc.xciii)
mag - gezien de toen heersende pestepidemieën en naweeën van de
oorlog - niet in verband worden gebracht met de stichting van de kerk,
op zijn hoogst met de restauratie ervan.
Zoals reeds is medegedeeld, werd de kerk in het begin van de Tachtig-
jarige Oorlog - wellicht in 1572-73 - weer het slachtoffer van de
strijd. Nadat de rust was teruggekeerd, bracht men voor rekening van
de Staten op de toren een nieuwe spits aan en op het beschadigde schip
een flauw hellend zadeldak. Het resultaat van deze restauratie, die
blijkens een gedenksteen in de toren in 161 8 plaats vond, is door Cl.
Jzn. Visscher op zijn beschreven ets duidelijk weergegeven. Zelfs de
oude dakmoet op de toren vergat hij niet en evenmin het ingestorte
dak van de transeptachtige uitbouw aan de noordzijde.
Ruim een eeuw later liet de ambachtsheer Paulus Loot het kerkschip
opknappen; de muren werden versterkt, de vensters en vloeren ver-
nieuwd en een preekstoel benevens heren- en kerkeraadsbanken opge-
steld. Tevens liet Loot in 1728 tegen de westkant van het schip een
grafkapel voor zijn familie bouwen. Aan het vervallen achterstuk
werd evenwel niets gedaan. Het dak was er misschien al af, toen
Roghman zijn gezicht op Zandvoort schetste, maar zekerheid hierom-
trent bestaat pas voor de periode i730-'3 5, toen A. Rademaker (167 j-
1735) de ruïneuze toestand tekende (Rijksprentenkab.). Van de zuide-
lijke transeptarm staan nog slechts muurbrokken en van het koor ont-
breekt het dak en is de beglazing uit de vensteropeningen (drie in
iedere zijgevel en drie in de sluiting) verdwenen. Een anonieme sepia-
79
-f»
Kerkpad
Zandvoort omstreeks 1910. (Rijksarchief, Haarlem)
tekening (Gemeentearchief Haarlem), die omstreeks 1775 zal zijn
gemaakt, toont de verdere ondergang; alleen de steunberen tussen
en de borstwering onder de voormalige spitsboogramen zijn nog over-
eind gebleven. Voorts laat deze afbeelding ook het eenvoudige schip
zien, zoals dat door Loot was hersteld, het omheinde kerkhof en dorps-
woningen aan het Kerkplein, waaronder ter plaatse van de tegen-
woordige pastorie een huis met trapgevel, dat in eenvoudiger vorm
ook al door Visscher was geëetst. Ongeveer dezelfde toestand is weer-
gegeven op een andere anonieme tekening. (Rijksarchief, Haarlem).
De laatste resten van het koor, die H. Tavenier in 1782 schetste (Ge-
meentearchief Haarlem), komen niet meer voor op het kadastrale
minuutplan van 18 12. Het schip verloor zijn oude karakter geheel in
1848, toen men het voor de derde maal grondig onderhanden nam. De
toren is in 1871 aangepakt, maar veel minder ingrijpend, zodat bij de
restauratie van 1956 de middeleeuwse gedaante weer tevoorschijn kon
komen.
Hoe weinig opmerkelijk het in 1849 in gebruik genomen kerkgebouw
ook mag zijn, het inwendige bevat nog een groot aantal belangwek-
kende zaken. 7 In de eerste plaats de in 1920 herstelde grafkapel van
de familie Loot met de rijke marmeren omlijsting van de ingang (voor-
zien van een loods met dieplood), het sierlijke smeedijzeren hek en het
fraaie stucwerk. Vervolgens de door Paulus Loot geschonken preek-
stoel en herenbank (met de wapens van Brederode, Loot en Hartsinck),
81
Interieur van de kerk. Foto A. Bakels
het koperen doopbekken uit 1655, de dito predikantslezenaar uit een
weinig latere periode, de 1 8de-eeuwse voorzangerslezenaar van koper en
twee zilveren avondmaalsbekers. Voorts ziet men in de kerk nog twee
rouwborden; het ene bevat een lang verhaal in het Latijn voor de
10 juli 1694 omgekomen Matthaeus de la Cave, het andere draagt tot
opschrift: 'Hier leydt begraven de vrouw Johanna Margrietta Corbet
Dogter van De Heer Colonel Walter Corbet en van de Vrouw Maria
Magdalaina Halkett en huijsvrouw van de Heer Captijn Charles Hal-
kett, verongelukt tussen Noortwijk en Santvoort komende uijt Schot-
lant is haar Doode lighaam hier aan strant komen Drijven op den
22:september anno 1720.'
Tenslotte kan nog worden vermeld, dat de galerij voor het orgel op
houten kolommen rust, die gezaagd zijn uit de masten van het in 1905
vergane schip de Alba. De volgende dichtregelen van C. C. P. Schwartz
staan gebeiteld op twee planken in de borstwering:
Van 't droef vergane schip d' in storm bezweken mast
Draagt thans in 's Heeren Huis een Hem gewijde last.
Zoo wordt wat op aard' in ramp en rouw ons treft
Een pijler die ons hart naar 't Eeuwig Godshuis heft.
Het Gasthuis
Na de kerk was het Proveniers- of Gasthuis het belangrijkste gebouw
van het oude Zandvoort. 8 Het zou in 1583 voor twaalf oude lieden
zijn gesticht door Gerrit Willems en zijn vrouw Aeltgen (volgens de
Voorlopige Lijst uit het geslacht Brederode), die toen beiden - blijkens
een vermelding op hun thans in de raadzaal hangende portretten - de
drieëndertigjarige leeftijd hadden bereikt.
' •""j" V
//er oWe Gasthuis. (Rijksarchief, Haarlem)
In 1927, een paar jaar voor de afbraak heeft de Rijksdienst voor de
Monumentenzorg het Gasthuis laten opmeten. Het was toen uitge-
groeid tot een schilderachtig complex tussen Baan en Rozenobelstraat
met de achterzijde naar het Gasthuisplein en het front naar een bin-
nenhof gekeerd. Het hoofdelement werd gevormd door een witge-
pleisterd gebouw met een steil pannen zadeldak tussen een tuitgevel
aan de achterkant van een trapgevel van voren. Op de verminkte top
van de laatste prijkte een beeld van een gebaarde vissersman.
De oorspronkelijke hoofdingang bevond zich in de trapgevel, maar
was door het aanbouwen van een lage vleugel, die als varkenswaag
dienst deed, tot binnendeur gedegradeerd. De latere entree bestond
slechts uit een eenvoudige toegang met een houten luifeltje op in-en-
uitgezwenkte consoles, de enige onderbreking van de waaggevel aan
de Rozenobelstraat.
Het hoofdgebouw bevatte onder de door kruisramen verlichte zol-
ders over de volle lengte de zgn. zaal, het dagverblijf voor de oudjes,
die aan weerskanten hun van bedstede voorziene slaapcellen hadden.
Deze werden verlicht door smalle vensters met een tussendorpel, de
zaal bezat een voorgevel met een groot kruiskozijn en aan de achter-
kant naast de boezem van de schouw twee kleinere ramen.
De zaal in het Gasthuis kort voor de afbraak. (Foto Monumenten-
zorg)
Een paar kiekjes van A. Bakels, een schilderij door Julius Müller-
Maszdorf en een foto van Monumentenzorg geven tezamen een goede
indruk van deze stemmige zaal. De vloer was belegd met plavuizen,
de muren waren gekalkt en de moerbalken, waarop zonder kinder-
binten de zolderplanken rustten, bezaten geprofileerde sleutelstukken.
De achterwand van de simpele schouw was in het midden bekleed
met diagonaalsgewijs geplaatste verglaasde estrikken, geflankeerd door
stroken met figuurtegels. Het meubilair bestond in de laatste jaren van
het Gasthuis o.m. uit een hangoortafel, korenaarstoeltjes en enkel-
voudige kasten, waaronder een achttiende-eeuwse op hoge poten met
een kruisverbinding. Als wandversiering had men behalve een oud
landschap een groot aantal ingelijste platen en spreuken om de plan-
ken celdeuren gehangen.
Verder kunnen alleen nog de beide slachtringen aan de tweede balk
worden vermeld.
Door een gangetje, dat de slaapcellen aan de linkerzijde van de zaal
onderbrak, kwam men langs de zoldertrap in een evenwijdig aange-
bouwde lagere vleugel, die de regentenkamer en de (later afgesplitste?)
mangelkamer met een zijvertrek bevatte. De eerste ruimte was weer
voorzien van een betegelde schouw en een bedstede tussen twee kasten.
Hier bevonden zich waarschijnlijk ook de reeds genoemde stichters-
portretten en de nog te bespreken gebrandschilderde ruitjes. In de
84
Plattegrond van het Gasthuis. (Opmeting Monumentenzorg, juli 1927)
blinde achtergevel aan het Gasthuisplein was een kogel van de Engelse
beschieting uit 1805 ingemetseld.
Het tot doorloop dienende zijvertrek stond in verbinding met de in
de lengte onder een lager zadeldak aangebouwde keuken en bijkeuken.
Een stenen schuurtje (stookhok?) met lessenaarsdak vormde hier de
beëindiging van de hoefijzerachtige aanleg.
Het is diep treurig, dat men dit weliswaar verwaarloosde maar tot in
details oorspronkelijk gebleven Gasthuis heeft gesloopt, want na een
restauratie (destijds begroot op ƒ 16.000) had het niet alleen een sieraad
kunnen zijn voor Zandvoort, maar ook een monument van nationale
betekenis. Afgezien toch van een enkel voorbeeld als de mannenzaal
van het Bloklandgasthuis uit 1573 in Amersfoort is er geen goed be-
waarde inrichting van deze soort meer in ons land te vinden. Op een
na de ontruiming genomen foto klinkt de achtergelaten wandtekst
dan ook bijzonder schrijnend: Uit Liefde.
Het is niet bekend, of er bij de afbraak nog iets gered is. Blijkens het
werk van Van Arkel en Weismann waren de beide stichtersportretten
en vier gebrandschilderde ruitjes al voor 1895 naar het toenmalige
raadhuis overgebracht. Hun beschrijving van deze ruitjes stemt echter
niet geheel overeen met de voorstellingen op de vier in het tegenwoor-
dige gemeentehuis aanwezige exemplaren. Bij hen ontbreekt het ovale
medaillon (met een pink - met een dubbel doorgestreepte S op het
zeil - op het strand en de kerk achter een duintop), dat bovenaan de
85
naam van de schenkster vermeldt: Geerte van Bergen en dat onderaan
tot opschrift draagt: 'Is Godt met ons/ wie kan ons deeren/So wij zeijle
of laveren 1621.' Daarentegen beschrijven zij een ruitje, dat thans ont-
breekt, voorstellende: een boom waaraan een wapenschild hangt en
waartegen een haas opspringt met als opschrift: 'Een geruste Concien-
cie is beter dan goudt, hi is welgefondert, die op God betrout, maer
sal de mens oock sijn behoedt, die onwetende dwaelt en nochtans sijn
beste doet: segt mij vrij dat, man, en vrij dan sal ick verweren tegen
mijn partij, dirc vanderhaes 1621.'
De overige nog aanwezige ovale ruitjes zijn dezelfde als die van Van
Arkel en Weismann en worden ook door Allan vermeld. De eerste ver-
toont een oorlogsschip met op een der zeilen een huismerk, gevormd
door een N met twee strepen door de naar onderen verlengde linker-
poot. Het onderschrift luidt: 'Dient Godt met goeden wille gheeft den
arme en swijcht al stille samsom was een sterck man noch is hij sterker
die zijn tonge bedwingen can die alle sijn leit met leit wil wreeken sam-
soms kracht sal hem ontbreken gerrit willemse ende Aeltgen willems
sijn huisvrou 1621,' de namen van de stichters.
Het tweede ruitje draagt een rood wapenschild met een witte schaar
en het onderschrift: 'die den wtwendigen tempel bouwe en den inwen-
dygen gerieuen niet, seght my nae. Schriftuers ontfouwen, Oft sulcke
menschen bedrijuen ijet Isaack Maertens gasthuys Meester. Sybruch
Louwerts syn Huysvrou 1621' (tussen 16 en 21 is een huismerk ge-
plaatst, gevormd door een gekoppelde M en V, uit welke laatste letter
een ouderwetse 4 in spiegelbeeld ontspruit.)
Het laatste ruitje vertoont weer een pink (met twee maalkruisen op
het zeil) op het strand met Zandvoort in het verschiet. Bovenaan
staat: Griet Aller sdr, onderaan: 'Ick zeijl garen/voor de wint, Maer
ick moet hebben dat mijn Godt gunt/hoe wij zeijle of laueren/Is Godt
met ons, wie mach ons deeren/die zegen des Heren So Salamon seyt
maeckt rijck sonder arbeijt 162 1.'
Visser swoningen
Door de ingrijpende wijzigingen in het dorpsbeeld na de opkomst van
Zandvoort als badplaats en als gevolg van de vernielingen in de oorlog
is er van de oude sfeer niet veel meer over. Het kost zelfs moeite en-
kele voorbeelden van visserswoningen op te sporen, die het oorspron-
kelijke karakter hebben bewaard.
Een gaaf exemplaar van het kleinste type is de thans als bergplaats
gebruikte woning Kruisweg 10. Het gebouwtje, waarvan de grondslag
nog geen 4x4111 beslaat, is opgetrokken uit rode baksteen en groten-
deel bedekt met een gewitte pleisterlaag. De nok van het met rode
pannen belegde zadeldak eindigt voor de noordelijke top tegen de
schoorsteen. In de voorgevel zijn onder de dakdrup een groot schuif-
raam met negen ruitjes en de onder-en-bovendeur aangebracht, waar-
door men onmiddellijk het enige vertrek kan betreden. Dit diende
86
Eenkamerwoning, Kruisweg 10.
zowel tot woonruimte als tot keuken en slaapkamer. De bedstee is nu
uitgebroken, maar de schoorsteen met eenvoudige houten mantel is
nog aanwezig. Een hiernaast opgestelde ladder voert naar de zolder,
waar de visser zijn gerei borg en zijn vangsten kon drogen. In verband
met de geringe afmetingen bezit deze zolder geen kapspanten, doch
slechts in de topgevels rustende gordingen. Voor verlichting en ven-
tilatie zorgt een topgevelraam, dat waarschijnlijk voor een luik in de
plaats is gekomen.
De gelijkvormige, maar iets grotere en inwendig gewijzigde woning
Kerkdwarspad 5 heeft behalve een zolderluikje in de top nog een
flinke dakkapel met luik en bovenlicht. Een karakteristieker voor-
beeld van het grotere type is echter Swaluëstraat 24. Deze woning
- met licht gesauste muren boven een grijs (elders geteerd) plint en
een zadeldak met aangesmeerde rode pannen — bevat al een keuken en
een kamer, beide met een vloer van rode plavuizen. In de eerste ruimte,
die vroeger achterhuis of achtereindje werd genoemd, is naast de toe-
gang een tochtschut getimmerd, in een hoek bevindt zich de zoldertrap
en tegen de scheidingsmuur met de kamer de schoorsteen. Naast deze
kookplaats leidt een verbindingsdeur naar de kamer, die oorspronke-
lijk een raam in de zuidgevel had, maar bij de bouw van de achterge-
legen bakkerij heeft men dit venster naar de Swaluëstraat overge-
bracht. Dit had weer tot gevolg, dat men beide bedsteden met de spin
— provisiekast - ertussen naar de achterwand moest verplaatsen.
Het karakter van de woning is door deze veranderingen evenwel niet
aangetast en evenmin door het tegen de keuken aanbouwen van een
stenen werkportaal, waarvan het lessenaardak nog net het zolderluik
87
ka mar
pTT
Tweekamerwoning met jonger achterhuis, Swaluêstraat 24. (De muur
om het erf is weggelaten, in de plattegrond is de oorspronkelijke in-
deling weergegeven)
vrijlaat. Dit nieuwe achterhuis uit het midden van de vorige eeuw is
thans nagenoeg aan het oog onttrokken door de ommuring van het
erfje, waarop men ook het houten privaat heeft geplaatst. Eertijds zal
de schering (omheining) wel uit (schuite) planken hebben bestaan, die
men voor het keukenraam heeft gehandhaafd. Wellicht was er ook
nog een takkenboshoop, een mestvaalt en een varkenshok, want deze
elementen behoorden tot de vaste onderdelen op het erf van een Zand-
voortse visserswoning.
Het beschreven type met achter elkaar gelegen keuken en kamer kent
ook een architectonische variant, waarbij de twee vertrekken naast
elkaar onder de topgevel met zolderluik zijn gesitueerd. De voordeur
is dan in het front aangebracht of opzij onder de dakdrup. Bij een
enkel groter exemplaar is nog een zijkamertje aanwezig, maar in het
algemeen kan men na aftrek van latere aanbouwen (voor portaal of
achterhuis) de typen tot één- of tweekamerwoningen herleiden, die
in hoofdopzet onderling bijna niet verschillen. Slechts in verband met
de vorm en de ligging van het beschikbare bouwperceel en met de in-
wendige indeling, heeft men de ene keer de deur in het front, de an-
dere maal opzij geplaatst; nu eens de topgevel dan weer de druipkant
naar de weg gekeerd en soms de dakvlakken van één huis verschillende
hellingen gegeven. Door de wilde verkaveling ontstond dus een schil-
derachtige afwisseling, die in feite slechts een reeks variaties op het-
zelfde thema betekende.
Dit verschijnsel deed zich ook voor in andere zeedorpen, zoals Kat-
wijk en Noordwijk, maar daar leidde de grotere welstand niet zelden
tot een ruimere en rijker ingerichte behuizing, vooral bij de reders. 10
In Zandvoort was men echter zo arm, dat zelfs de bedsteewand geen
versiering kreeg; alleen de beddeplank werd soms van een kerfsnee-
motief voorzien. Bij alle soberheid was de aanblik van dit beddeschot
toch niet somber, want voordat de gladde deuren werden toegepast,
sloot men de opening met rood gebloemde gordijnen af. Met behulp
van een los trapje bekom men de hoge slaapplaats. 10
De schouw was even simpel als de rest, maar om de haardplaat ont-
braken de tegels niet; ze vertoonden een schildpadpatroon, gekleurde
bloemen, kinderspelen of bijbelse voorstellingen. Boven het open vuur
van takkenbossen en turven hing aan ketting of een verstelbare heugel
de ijzeren kookpot. Hierin bereidde men de water en klis (meelpap),
de rijst, die met vet werd vermengd, en de aardappels, die aan tafel in
een kop uiendoop werden gesopt. Vlees schafte de pot zelden en dan
nog slechts van het eigen varken, waarvan de daarvoor in aanmerking
komende delen werden geconserveerd in de schoorsteen. Deze bezat
in verband daarmede een rookluik op zolder. Bejaarde inwoners kun-
nen zich het schamele menu en de primitieve kokerij nog goed herin-
neren. Bovendien weten ze te vertellen, dat het rechte rookkanaal
boven het open vuur vaak een te grote verleiding vormde voor de
jeugdige Sint-Maartenvierders, die niet tevreden met het opstoken
van manden op de laagste huisjes klommen om een zak of iets der-
gelijks door het schoorsteengat te gooien.
Naast de vaste onderdelen als bedsteewand en schouw (later schoor-
steenmantel) bevatte een Zandvoortse visserswoning enige stoelen, een
tafel, een latafel (commode met vier of vijf laden) en een tweedeurs-
kast of kabinet. De biezen stoelen waren in het midden van de vorige
eeuw nog van het oud-HoIlandse model met rechte leuning en knop-
pen, daarna kwam de sierlijker Sheraton-vorm in zwang. "Wanneer
men de stoelen niet gebruikte, zette men ze schuin voorover, met de
achterpoten op het plint. De tafel werd altijd voor het raam geplaatst;
de oude vorm was een hangoor, de jongere had een rechthoekig blad
en dikwijls taps uitstaande poten met twee korte regels en een voeten-
plank.
Bij arme mensen lag op de houten of plavuizen vloer een mat, bij
de minder behoeftigen een zwart en rood gestreept karpet van koe-
haar. De wanden waren doorgaans wit gekalkt (soms ook geel en
blauw) en bleven op de Friese klok, een spiegeltje en een enkele inge-
89
Wagenschuur met paardenstal aan de Swaluëstraat. Begin 1960 is de
bouten beschieting van de voorgevel geheel vernieuwd, waarbij o.m.
de ontluchtingskleppen zijn verwijderd.
lijste plaat (later ook familiefoto's) na kaal. Als siervoorwerpen kende
men niet veel meer dan de stenen hondjes, die de zeelui uit Engeland
meebrachten, in het bijzonder uit Lerwick op de Shetlandeilanden.
De sfeer van deze interieurs is door Israëls meermalen weergegeven.
Zuiver documentaire waarde hebben de schilderijen en etsen echter
niet, want de composities werden samengesteld aan de hand van schet-
sen en losse meubelstukken. Op zijn Haagse atelier had Israëls zelfs
een vissershoekje ingericht, met een roetjesraam, een tafel, biezenknop-
stoelen, een kakstoel en andere requisieten, die geregeld in zijn werk
terugkeren. 11
Bedrijven
De oude bedrijven zijn allang verdwenen; de vuurboet, de scharren-
drogerijen (waarbij de vis eerst een paar dagen in zoutkuipen werd ge-
legd en daarna aan stokjes werd geregen, die men op pergola-achtige
stellages hing), voorts de timmerwerf, de voermanderijen en de boer-
derijen). De timmerwerf van Kees de Bode (Duivenbode) is omstreeks
1900 afgebroken. Het houten gebouwtje lag aan de Worf en bezat
blijkens een aquarel uit 1870 (een jeugdstudie van mevr. Teding van
Berkhout) en een foto van Bakels een puntgevel met een uitgestoken ma-
kelaartje in de top. Door grote kleppen in dit front te openen kon men
het binnen gebouwde schip naar buiten schuiven. Na getuigd te zijn
werd de schuit gestoken, d.w.z. op rollen over het strand in zee ge-
trokken. Een der laatste voerlui, die dit werkje met zijn paarden
placht op te knappen - Van der Mije - kreeg aldus de bijnaam Gerrit
Steek.
Zijn wagenschuur bestaat nog en ligt met de lange voorgevel aan de
Swaluëstraat. Het is een ca 4 m diep en 14,50 m lang gebouwtje met
een van twee kapellen voorzien zadeldak van blauwe pannen, waar-
onder een enkel rood exemplaar is verdwaald. De achterkant en het
meest rechtse deel van de voorgevel, waarachter zich de paardestal
bevond, zijn van rode baksteen opgetrokken, de rest van het front was
90
Voermanderij Pakveldstraat 13. In de perspektief is de schutting om-
het erf weggelaten. De doorsnede is genomen over de rechter stal.
voor de vernieuwing van begin 1960 om de drie deuren en ventilatie-
kleppen met gepotdekselde planken bekleed. Genoemde deuren geven
toegang tot de ruimten, waar de wagens en de mallejan (om palen van
het strand te halen) stonden. De hoofdconstructie van dit gedeelte
wordt gevormd door gebinten, waarvan de stijlen in de wanden zijn
opgenomen. De korbeels heeft men van onderen tegen de stijlen ge-
spijkerd van boven halfhouts over de opgelegde balken gekeept. Op
de gebinten rusten weer de spantbenen, die zonder hanebalken de gor-
dingen dragen. Gezien de onregelmatigheden zullen verschillende
zo niet de meeste onderdelen, wel van aangespoeld hout afkomstig
zijn.
Karakteristieker nog dan deze schilderachtige schuur is het pand Pak-
veldstraat 1 3 . Het maakt een vrij oude indruk met zijn gewitte muren,
rode zadeldaken en kleine ruitjes, maar het dagtekent pas uit het eind
van de vorige eeuw, waaruit blijkt hoe taai de traditie was. Volgens
de bejaarde eigenaar is het voorgedeelte in 1872 gesticht als een twee-
kamerwoning met een houten tochtportaal. In 1893 heeft men dit aan-
bouwtje door een stenen achterhuis met afzonderlijk dak vervangen
en achter de van de bedsteewand en een schoorsteen voorziene zit-
kamer (hier binnenhuis genoemd) een lange vleugel opgetrokken.
9i
Deze bevat twee paardestallen, de eerste voor vier, de tweede voor
drie dieren. In de geplaveide stalvloer is een giergootje aangebracht
en tegen de lange achtergevel zijn penanten gemetseld voor de hard-
stenen voerkribben. Op de moerbalken (in de tweede stal door een
ligger ondersteund) rusten de driehoekspanten van het zadeldak. Aan
de voorzijde is dit onderbroken door twee dakkapellen, waardoor men
het hooi op zolder kon steken. Het gerij stond hier niet in een dichte
schuur, maar onder een afdak op het omheinde erf, bij de hooiklamp.
Met de wagens vervoerde men netten, vis en aardappels, de kaar
diende voor de schelpenvisserij. (De schelpenlosplaats was in de zg.
Bloedbuurt bij de huidige Brugstraat). Ook reed de voerman mest, stro
en hooi, maar de enige, die dit op grote schaal deed, was Gerrit Loos,
wiens schuur nog aan het Achterom staat. Het is een rechthoekig hou-
ten gevaarte met een kort schilddak, dat ook constructief overeen-
komt met de Noordhollandse beschoten hooiberg. Onder in de schuur
bevond zich een paardestal en een wagenberging, boven een hooi- en
stro-opslag. Deze handelswaar werd uit de Haarlemmermeer gehaald,
mest bij de boeren in het achterland en — in de vorm van Amsterdams
huisvuil — bij de daarvoor bestemde schuiten in de Leidsevaart.
De voermanderij in de geschetste vorm dateert pas uit de loop van de
negentiende eeuw. Voor die tijd was het bedrijf geheel op de visserij
afgestemd met uitzondering van het in 1725 ingestelde wagen veer.
Eerst na opkomst van de duinaardappelteelt trad de verandering in.
Degene, die in deze omgeving hiermee op grote schaal begon was J. N.
van Eys, eigenaar van Boekenrode, hereboer en voorzitter van de
Commissie van Landbouw van Amstelland. 12 In 1 79 y had hij een laag
begroeid duin terrein in het Bentveld gekocht, waarop hij, na in 1801
voor dertig jaar vrijstelling van grondbelasting te hebben gekregen,
een boerderij stichtte. Het stenen woongedeelte hiervan bevatte twee
vertrekken, de aangebouwde houten schuur (opgetrokken uit het af-
komend materiaal van een schapenstal) bood onder de op een rieten
spreilaag gelegde pannen plaats voor 16 stuks rundvee en voor de
hooi-en-korentas. Als weidegrond voor het jongvee verwierf Van Eys
het Rozenwater, een bekorste duinvlakte van 30 morgen, die een
kwartier gaans dichter bij Zandvoort lag. Deze werd bedijkt, bemest
en was spoedig met goed gras bedekt. Ook de grondverbetering bij de
Bentveldse boerderij bleek een succes. De akkers leverden rogge, gerst,
bonen en mangelwortels, maar vooral uitstekende duinaardappels op.
Dit geslaagde begin leidde weldra tot een uitbreiding van het bedrijf.
Bij de duinhoeve werd een nieuw terrein ontgonnen ten behoeve van
een weide voor het melkvee en voor de oogstberging werd een afzon-
derlijke loods gebouwd, zodat het houten achterhuis nu geheel vrij
kwam voor de veestapel, die inmiddels was aangegroeid tot 26 stuks
rundvee en 2 paarden. Het gehele bedrijf omvatte in 1808 een 50 mor-
gen duinweiden en -akkers, die grotendeels door windsingels van Ca-
nadese populieren waren omgeven.
92
Si. kam.
L
4)anq
kamer
h-HH-*
H
77
• stal
■
ï I ITÜ
hooi»chuur
i. i .1. —i-a.
*ch-
" 1 tui»H«k|«
erf
Schuur (m*f kfpptnViok)
Vooraanzicht, plattegrond en doorsnede van de koestal van de voor-
malige boerderij aan de Kleine Krocht. Toestand omstreeks 1900. De
f aardenstal en de muren van de koestal zijn nog aanwezig, het overige
is gereconstrueerd aan de hand van foto's door A. Bakels en monde-
linge gegevens.
Op kleine schaal volgden de Zandvoorters het voorbeeld van Van Eys,
vooral toen zij hun aardappels na de aanleg van de straatweg in 182$
beter konden afzetten. In 1859 was reeds 500 bunder duingrond in
aardappelland herschapen en bestonden zeven gezinnen geheel van
deze teelt. Men betaalde aan het eind van de vorige eeuw slechts 7 cent
pacht per roe (3,65 m 2 ), maar moest hard werken om winst te maken.
Daar de aardappel- (en erwten) akkertjes soms 6 a 7 km van het dorp
verwijderd waren, overnachtte men vaak in strohutten op het veld
om van 's morgens vroeg tot 's avonds 1 1 uur te kunnen spitten. De
enige afwisseling in de eentonige arbeid vormde de leste stroik die bij
het eind van de oogst aan de kar werd gebonden, waarna men
's avonds de goede afloop met koffie of een borrel vierde. Door de
onttrekking van drinkwater aan de duinen is de teelt later sterk
achteruitgegaan.
Behalve de bovengenoemde semi-agrarische dorpsbedrijfjes was er ook
een echte boerderij in Zandvoort, nl, die van Nelletje Koning-Zwem-
mer, waar Jozef Israëls destijds logeerde. Het gebouwtje lag aan de
Kleine Krocht achter de noordelijke dorpsweide. De architectuur
93
kwam sterk overeen met die van de voermanderij aan de Pakveld-
straat. Haaks tegen de witgepleisterde tweekamerwoning met midden-
gang en houten tochtportaal (wrsch. tevens melkhok) was de lange
stal opgetrokken. Het dak van deze witte vleugel werd verlevendigd
door een kapel met hooiluik. Op de stal volgde echter nog als derde
element een aangebouwde hooischuur met onder het tentdak een hooi-
klamp of barg met ondergelegen wagenberging, een verkleinde uitgave
van de schuur aan het Achterom. 13 Tenslotte was tegen de barg nog
een boet getimmerd en op het orref een vrijstaande schuur (o.m. voor
kippen en brandhout) opgetrokken.
Een jammerlijk fragment van deze boerderij is op een binnenterrein
behouden gebleven. Het bestaat uit de van zijn zadeldak beroofde
stalvleugel, waarvan de ruw gemetselde bleek-rossige en rode baksteen
van het begin af aan gepleisterd was. Het rechtergedeelte van dit res-
tant, dat via de oorspronkelijke, van een bovenlicht voorziene toegang
met het erf in verbinding staat, bevat nog een dubbelrijige dwarsstal
voor paarden. De latierpalen staan achter de beide giergootjes in de ge-
plaveide vloer en zijn van boven bevestigd tegen de moerbalken, die
evenals andere onderdelen van juthout vervaardigd zullen zijn. Rechts
achteraan worden de standplaatsen onderbroken door een verbindings-
deur met de voormalige hooischuur, links vooraan door een toegang
naar de tweede stalruimte, die thans is leeggesloopt.
Vroeger liep er achter de voorgevel een straatje van gele steentjes.
Hierna kwam de groep, vervolgens de hogere standstrook (deel) voor
vijf runderen, die met ringen aan staken werden vastgemaakt, daar-
op volgde weer de voergoot, terwijl de voergang de stal in de lengte-
richting afsloot. Dit laatste onderdeel bereikte men via een hellend
straatje langs een binnenmuur. Het enige, dat thans nog aan de oude
toestand herinnert is het donkere plint en de gele saus op de wanden
en voorts in het midden van de ruimte een stijl, die vroeger een ligger
droeg tot steun van de moerbalken. De gehele inrichting vertoonde dus
dezelfde kenmerken als die van de zgn. binnenduinse boerderijtjes met
enkelrijige koestal in Katwijk- en Noordwijk aan Zee. De enige prin-
cipiële afwijking van het smalle west-Zuidhollandse type vormde de
Noordhollandse hooischuur, want in genoemde vissersplaatsen maakte
men gebruik van een kapberg. Een verschil van minder betekenis is de
benaming deel voor de onbestrate (en 's zomers met planken bedekte)
standstrook, die in Katwijk en Noordwijk (voor)boes werd genoemd.
Eertijds zou de voorkamer, die in het seizoen aan badgasten werd ver-
huurd, 's winters ook voor koestal zijn gebruikt. De boerin huisde dan
in een aan een dwarsgang gelegen kamertje met een bedstede. Haar op-
volger Van Saase betrok na 1900 echter een aangrenzende woning. Het
bedrijf ging toen al achteruit, want tengevolge van het onttrekken van
duinwater was de Krocht zo droog geworden, dat de koeien daar niet
langer dan een dag of acht voedsel vonden en daarna naar de Leidse-
vaart moesten worden overgebracht. Toen in de eerste wereldoorlog de
94
boerderij ingesloten raakte en ook nog de vrijstaande schuur verbrand-
de, besloot Van Saase het bedrijf op te heffen. Hij trad in dienst bij de
nieuwe eigenaar P. Visser, die het complex - op de stal na - afbrak.
Ter plaatse van de aangebouwde woningen stichtte Visser in 1930 een
blok winkelhuizen.
De in verband met het badleven verrezen bebouwing had aanvankelijk
nog wel karakter, zoals het classicistische Grote Badhuis en de
oudste woningen met waranda's. Langzaamaan ging het echter bergaf-
waarts, al was het door J. C. van Wijk - architect van de Rotterdamse
passage - ontworpen, maar slechts ten dele uitgevoerde stedebouwkun-
dige plan voor een badcentrum niet onaantrekkelijk voor die tijd
(1880). Merkwaardigerwijs dook de halfronde kern ervan weer op
in het eerste wederopbouwplan.
Ondanks de geleidelijke transformatie van het vissersdorp in een bad-
plaats, de moedwillige vernielingen in de oorlog en de voortschrij-
dende modernisering van de laatste tijd is er van het oude Zandvoort
meer over dan men zou verwachten. Geheel gave straatbeelden komen
weliswaar niet voor, maar op verschillende punten is het oorspronke-
lijke karakter nog vrij goed bewaard gebleven zoals aan het Kerk-
dwarspad, aan de Parkveldstraat (met name het complex 13-17) en
in de omgeving van het Achterom. Bij het ontwerpen van een bestem-
mingsplan voor de kom dienen dergelijke karakteristieke gedeelten
niet alleen te worden ontzien, maar ook als uitgangspunt te worden
genomen voor een stedebouwkundige rehabilitatie. Het behouden van
de oude sfeer is immers zowel van belang uit een cultuur-historisch
oogpunt - de stoffelijke herinneringen aan het vissersleven - als in
verband met de recreatieve behoeften van dorpeling en toerist, die
geen van beiden het gestroomlijnde straatbeeld zoeken.
De bestemming van de oude panden kan in het algemeen geen moei-
lijkheden opleveren; de grote huizen kunnen hun normale woonfunc-
tie behouden na een opknapbeurt, zoals Gasthuisstraat 9 en Pakveld-
straat 30 reeds ondergingen, de kleine kunnen worden samengetrokken
of afzonderlijk tot zomerverblijf dienen, terwijl ook de vestiging van
mode- en kunst(nijverheids)winkeltjes voor de hand ligt. Na een
rehabilitatie als bedoeld, waarbij de verzorging van erf en straat niet
mag worden vergeten, zal Zandvoort weer een aantrekkelijk woon-
en wandelgebied bezitten tussen het badcentrum en de winkelstraten.
Tevens zal Zandvoort dan de enige plaats aan de Noordzeekust zijn,
waar men op verschillende punten nog het historische vissersdorp kan
terugvinden.
DRS. R. C. HEKKER
95
1 J. H. A. Boerboom, Begroeiing en landschap van de Duinen onder Sckeveningen en
Wassenaar van ± / joo tot heden (gestencilde uitgaaf), Wassenaar 1957, blz. 1, 4-6
2 Zie voor de 6 nog bestaande vuurbakens: Oude vuurbakens langs de Nederlandse
kust, Cohouw 104e jaargang 1 (1-1-1960), blz. 7 en 9.
3 Deze etsen zouden in 1607 zijn vervaardigd (J. S. Witsen Elias, Een Teekening van
Claes Jansz. Visscher in het Gooisch Museum, Mededeelingen van het Museum voor
het Gooi en Omstreken, 1944, blz. 35), doch dit jaartal klopt niet met de gerestau-
reerde staat (161 8) van de afgebeelde kerk. Later is de reeks etsen nog opgenomen
in: G. Tysens, Haarlemmer Duinzang, Amsterdam 1728.
4 Opgenomen tegenover blz. 140 in: J. van Westerhoven, Den Schepper verheerlykt
in de Schepselen... tot lof van Haarlems vermaekelyke Landsdouwen, Amsterdam 3e
druk 1737 (ie druk 168$).
5 V. Bing en Braet von Ueberfeldt, Nederlandsche kleederdragten (bijgevoegd: Ne-
derlandsche zeden en gebruiken) Amsterdam 1857, resp. pi. IV en pi. XII.
F. Allan, Bad-Zandvoort, Haarlem 1881, blz. 45 v.v. en (schematische) kaart.
Ook het plattegrondje uit 1865 in: J. Kuyper, Gemeente-Atlas van Nederland, 4e
deel, Leeuwarden z.j., is schematisch.
7 G. van Arkel en A. W. Weissman, Noord-Hollandsche Oudheden, Tweede stuk,
tweede gedeelte (Kennemerland), Amsterdam 1895, s.v. Zandvoort. Voorlopige Lijst
der Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst, deel V, 1 (Provincie
Noord-Holland, uitgezonderd Amsterdam), Utrecht 1921.
Restauratie van Zandvoorts oudste toren, Haarlems Dagblad, 9 september 1950.
8 Het Oudemannenhuis te Zandvoort, Haarlems Dagblad, 18 december 1928..
9 R. C. Hekker, Visserswoningen, bouwschuren en boerderijen te Katwijk aan Zee,
in: Katwijks Volksleven (Oud-Leiden Serie I) Leiden 195 1, 50-65 R. C. Hekker,
Visserswoningen, rederijen en boerenhuizen in Noordwijk aan Zee, in: Noordwijks
Volksleven (Oud-Leiden Serie IV) Leiden 1959, blz. 17-34 (het hier behandelde
boerderijtje, Jan Kroonsweg 23, ontstond in de loop van de 19de eeuw uit een
voermanderij door toevoeging van een koestal).
10 Verschillende mededelingen over de inrichting werden welwillend verstrekt door
Mej. A. Bakels, oud-woninginspectrice.
11 H. E. van Gelder, Jozef Israëls (Paletserie) Amsterdam (1946), bl. 23.
12 J. N. van Eys, Bericht... wegens de... Duin-Boerderij en gedane ontginningen
van Duingronden onder Zandvoort bij Haarlem, Magazijn van V aderlandschen
Landbouw V (1809), blz. 168-185. R. C. Hekker en J. M. G. van der Poel, De
Nederlandse boerderij in het begin der 19de eeuw, Arnhem 1967.
13 Omstreeks 1900 werden van deze boerderij enkele foto's gemaakt door A.
Bakels. Gegevens omtrent de vroegere inrichting werden welwillend verstrekt door
diens dochters. Voor analoge bedrijfjes in Katwijk- en Noordwijk aan Zee wordt
verwezen naar de in noot 9 opgegeven literatuur.
96
Het vroegere volksleven
Betrekkelijk zelden in ons vaderland vindt men zo'n welhaast ver-
bijsterende tegenstelling tussen nog-maar-kort-geleden en vandaag-de-
dag als te Zandvoort-aan-de-Zee. Heel vroeger was het er armoetje
troef en gaf de visserman met zijn hachelijk bedrijf de toon aan. Maar
tussen 1820 en 1830 kwam er, mede door toedoen van de dichter-
classicus David Jacob van Lennep, een beslissende wending: de Zand-
voortse Laan naar Aerdenhout annex de bouw van het Groot Badhuis
wist het schamele vissersdorp - volgens Zoeteboom (De Zaanlants
Arkadia, 1658) een volkplant van de oude Haarlemmers — zo-zoetjes-
aan in een grootscheepse badplaats te transformeren, een badplaats die
zelfs eenmaal in de week door een regelrechte trein met Bazelf is ver-
bonden geweest (1884). De liefde voor zee en open-lucht, opgekomen
tijdens de salon-ontvliedende romantiek, samen met het groeiend be-
grip voor de ellende der arme vissers waren oorzaken van het ontstaan
van deze straatweg-met-badhuis, waarover Jacob van Lennep (David
Jacobs veelgelezen zoon) in een lang epistel van 4 juni 1822 onder
meer schrijft:
Men is bezig een' nieuwen weg door het duin heen van Haarlem naar
Zandvoort te graven. Dit doet de armoede aldaar zeer verminderen,
doordat er geene andere werklieden dan uit dit dorp genomen worden,
en zij reeds bij de vijftig in getal zijn. Ook worden die menschen, an-
ders zeer geneigd tot luiheid en bedelarij, werkzaam en te vreden,
daar hunne vrouwen de vischnegotie met den ouden ijver doorzetten.
Voorheen was het allemaal vis en nog eens vis wat de klok sloeg in
Zandvoort, dat in de oude tijd 19 bommen ter zee zond. Wanneer wij
tenminste afzien van de knainevangers (die o.a. op het Seckveld = Zeg-
geveld in de richting Vogelenzang opereerden), de schelpenvissers, de
braemtp\ukkers en de duinmaiers (duinboeren), welke laatsten in de
vorige eeuw vaak goede zaken deden met de puikbeste Zandvoorter
duinaardappels, op tegen verstuiving afgeschutte (duin)kroften zorg-
vuldig geteeld. Daar aan het Broek-end (het broekige = drassige deel
waar de tuinders woonden) werd goud verdiend destijds met de
aardvrucht... op 't zandig duin gepoot (J. van Oosterwijk Bruyn).
Voordat de straatweg was aangelegd, viel er op Zandvoort nog geen
gatbast of zelfs maar ozonhapper te ontwaren, met als merkwaardige
uitzondering de Engelsman I. Brown {(koopman-commissael) die om-
97
Huisje en erf, 1812. Aquarel van J. Jelgerhuis. (Gemeentearchief,
Haarlem)
streeks 26 mei 1794 voor eenige weeken uit hoofde van ongesteldheid
des Lighaams bij Jacob Arijsz. Kraai verblijf heeft gehouden (Rijks-
archief Haarlem). Ter verduidelijking van de beroepensituatie mag
een lijst aangehaald worden, aangetroffen in het Rijksarchief te Haar-
lem. Daarin vindt men het elftal Zandvoortse jongens, dat — twintig
jaar oud zijnde - anno 1791 in de termen der conscriptie viel.
r. Volkert Loos, helmplanter
2. Cornelis Draaijer, vischlooper (getrouwd)
3. Volkert Kooper, vischlooper
4. Engel Schilpzand, arbijder
5. Jan Molenaar, vischlooper (aanstaande stuurman en getrouwd)
6. Jan Meijnders (Bentveld), werkman
7. Albert Kooper, zeeman
8. Volkert Schuif ten, zeeman (domicilie Wijk aan Zee)
9. Jan Bos, vischlooper
10. Corneelis Berendregt, visscher
11. Engel Kerkman, vader: zeijnwagter; zoon: vischlooper
De vis — zo lekker en zo redelijk goedkoop — werd vooral vroeger
duur betaald, vanwege de tol aan mensenlevens die zij onverbiddelijk
98
opeiste. Doch ook de ventjagerij alias het vislopen, soms wel tot bij
Amersfoort (zo in 1457 volgens Hendrik Zoeteboom), was een zwaar
karwei, toen er nog geen moderne verkeersmiddelen bestonden. Het nu
toeristisch-aantrekkelijke vis(sers)pad - het nog altijd aanwezige steê-
pad (= pad naar de stad) bezuiden de spoorlijn Overveen-Zandvoort -
veroorzaakte een zware zwoegpartij met zijn rulle zandwoestijn en
zijn heuvelig op-en-neder gaan. As we de Rukkes maar eerst over
benne... verzuchtte menige Zandvoorter, die met de ben hoog-op-de-
rug de verwende stedeling op krimpe vis onthalen ging. Een fijne
aquarel uit de tweede helft der achttiende eeuw laat ons het zo schoon
onder de Blinkerd - alias De Blenk - gelegen Kraantje-lek - alias de
Rukkes of de Rockaers - zien: op de voorgrond links bevindt zich de
hooggehoede kunstenaar, in het midden vertoont zich de herder met
zijn hond en zijn schaapskudde - een pastorale idylle die het hart ver-
tederen zou, waren daar niet rechts en links respectievelijk een en
twee Zandvoorters die zwaargebogen huiswaarts zeulen. 1 (archief
Elswout)
Café-Bar-Petit Restaurant 'De Kousenpael' (opgericht in 191 5) houdt
de herinnering aan het zwoegen der vislopers levendig: in zijn
nieuwbakken naam en in een gebrandschilderd ruitje. Dit eta-
blissement van de echte Zandvoorter C. G. Bluijs heette vroeger
'Café Neuf' (tot 1854 was er een R.K kerkje in gevestigd), maar is
nu, ook in zijn inrichting, weer enigszins tot de stijl der vaderen terug-
gekeerd. Zie, hoe de mannelijke visloper zijn laatste zwarte kous uit-
trekt, leunende aan de 'kousenpael', volgens de zegslieden een licht-
mast. En dan gaat het, blootsvoets en dus veel gemakkelijker, over het
mulle visserspad steêwaart. Onderaan de Blinkert worden de kousen
weer aangetrokken, want je moet knap voor den dag komen bij de
klanten. Bij de inwijding van het vernieuwde etablissement (25 juni
1967) rijmde mevrouw E. Jongsma-Schuiten, o.a. schrijfster van het
Zandvoortse toneelspel De Garnaelekoningin, aldus:
Hoeveul geslachten benne hier voorbij egaen,
Lopende met bot en zijger op derlui reg,
Heen en berom naer Haerlem en naer Blommedael,
Barrevoes - derlui kousen oit bij de kousepael.
De Schepper gaf ons dut dorp bij Zee.
We waere arm, toch gaf Hij ons
Veul goeie gaeve mee: de braemt,
De duinaerepel, het knijn, de droge schar,
De vorse vis, de garnael. Welke rijkaerd
Kreeg zo'n koningsmael?
Ja, een koningsmaal. Geloof het maar: want behoefte-en-gebrek was
vroeger heer-en-meester in Zandvoort.
Edoch: de palmboom groeit onder het gewicht - aldus het familie-
99
, =>=^e 'Ufcatijjesn/tei&é?
devies van Koningin Emma. Dat dit ook - letterlijk - voor de rustige-
en-rijzige Zandvoorters gelden mag, betoogt de Leidse veelweter Jo-
hannes Ie Francq van Berkhey (1729-18 12) in zijn vierdelige, aan
volkskunde overrijke Natuurlijke historie van Holland (1J69-1JJ9),
die zelfs de eer genoten heeft van een franse bewerking (door Bouillon
in 1782). In zijn derde deel (blz. 841) veronderstelt Le Francq van
Berkhey dat Cornelis Cornelisz. van Haerlem (1502-1638) - die
grote figuren placht te schilderen - de Zandvoorters met hun fiere
gestalten tot model zal hebben gekozen. En deze Zandvoorter enaks-
gestalten verklaart hij geenszins uit de Teutoonse afstamming. (Ook
het blonde-en-struise vissersdorp Katwijk-aan-Zee bijvoorbeeld steekt
in dezen scherp af bij het toch zo nabijgelegen kwekersdorp Rijnsburg
met zijn groot brunettenpercentage). Neen, nuchter-ekonomisch zoekt
hij de verklaring der lichaamslengte in het van-jongs-af verrichte
werk:
Nauwelijks heeft een jonge Knaap de zes, zeven of agt jaaren bereikt,
of hij torscht een zwaargelaaden kriel met Visch, daaglyks, naar Stee.
Bij behoorelyken wasdom (wordt de) kriel vergroot en de last ver-
meerderd.
Dit heeft te meerder plaats bij de Zandvoorders, om dat zy inzonder-
heid zulke zwaare lasten draagen, die een ander nauwlyks zou kunnen
heffen. Er zijn voorbeelden genoeg van Zandvoorders, die een half
vat Bier, door het gulle zand, op hun Rug getorscht hebben. Ja men
verhaalt dat zeker Zandvoorder Zeeman, uitgelokt door de winst
eener weddenschap, eene of twee lange planken over zyn Kriel gespan-
nen hebbende, en daarop, ten zynen genoegen, een vadem droog
Brandhout gestapeld zijnde, dien last, van buiten de Zylpoort te Haar-
lem, tot binnen het dorp Zantvoort, gedragen zoude hebben.
100
Jan Snijer. (Foto Anthon Bakels)
Een dergelijke krachtpatsers-anekdote bracht maar weinig licht in een
duister-en-dreigend vissersbestaan, dat meer-dan -eens (vooral in tijden
van oorlog en crisis) vanuit Haarlem en Amsterdam bedeeld moest
worden, wilde Zandvoort het schamel aanzijn behouden. Een sprekend
getuigenis van stoere arbeid en luttel gerief geeft ons een eigenhandige
levensbeschrijving door Jan Snijer, lange Jan, jaren achtereen koster
der Nederlands Hervormde Kerk te Zandvoort. Treffender dan sa-
menvatting of parafrase lijkt het simpel hartewoord van Jan zelf,
hoe stuntelig ook, als hij - zo laat als in het jaar 1910 - met zijn beve-
rige hanepoten echt-en-eerlijk opbiecht wat hij allemaal meegemaakt
heeft. Geboren in 1835 moest hij reeds als elfjarige jongen 't zeetje
houwe, ondanks zijn vanwege de engelse ziekte nog allesbehalve
patente levenskracht.
Jan was elf jaren geworden en wilde van school af om te varen en ook
wat te verdienen voor zijn Grootje en het huishouden. En hij zeide:
'W 'aarvoor zal ik langer leeren? Zoo een arme jongen als ik ben, heb
dat niet noodig! Ik moet varen, dan krijgen wij het beter'.
Ik ging een week mee voor een proefreis. En er kwam een goede bries,
al rijzende uit het zuidwesten. En daar ging het: tik-tak-tik-tak. Dat is
een touw om het zwaard bij het zeilen recht te houden, en kwalijk-
spreker heet. En zoo westelijk heenzeilende was het: krak-krak. De
mast en voorzeilen weggenomen en de zeilen vallen van achteren om
de mast staande te houden. En voor de wind na huis.
Een nieuwe mast was weer opgezet. Ik ging weer mee en werd zeeman,
op mijn elfde jaar. Had veel te lijden van zeeziekte. En iets later bij
een storm, bij het ophalen der netten, in den eersten nacht dien ik
boven moest komen, op een donker dek, ging ik even bij het trekken
101
der achtersprenkel verkeerd zitten, en trok den ouden man die voor
mij zat, achterover, die mij met zijn natte want een gevoelige slag in
het gezicht gaf. En mijn slaap geweken! Daarna kreeg ik van hem, bij
het koffie drinken, een sneetje wittebrood met boter. En maakte het
zoo weer goed. Dien nacht, den eersten, heb ik nooit vergeten.
Het werd najaar. En met half October (langer niet) mocht er met de
netten gevist worden (dat was de Wet) en dan met de hoekwant, om
kabeljauw en schelvis, uit na zee. Zoo een beug bestaat gemiddeld uit
twintig bakken. En een bak uit vier lijnen. En op ieder lijn vijf-en-
zeventig hoeken, ruim vier voeten van elkaar verwijderd. Zoo een lijn
wordt uitgezeild en na een uur wachten weder opgehaald en dan
weder op orde in een bak gelegd. En dat is jongenswerk. En hoe koud
het is, moet met de blote hand geschieden — soms dat op de velling,
door het afdruipen van de handen, een klomp ijs bevroren zat.
En weder op een nacht moest ik als kleine jongen beneden zijn om de
bakken te bergen. En er waren van die uitgeholde bakken bij, waar het
water niet uitliep. Nu, de groote jongen gaf die bak, zonder het water
uit te storten. Ik reikte omhoog en kreeg dien bak, maar eerst ging het
met een golp bij mijn half open borst in, dat het in mijn klompen der-
uit liep. En zoo leerde ik wat zeeman was! En in dat natte pak moest
men voort, tot het aan het lijf weer opdroogde.
Iets later in den tijd ging ik weder na boord en keek mijn broodkistje
na (waar ik een koek van Peete gekregen had). En mijn koekje was
weg! En ging bij de vloed die opkwam na peete klagen over het ver-
miste koekje. En kreeg vijf centen om een ander te kopen en ging weer
na boord. En zie, in dien tijd, was de vloed zoo gestegen, dat ik mijn
kouzen uittrok om aan boord te komen. En door het ijs, dat op het
strand aan grote stukken bevroren was, niet bereiken kon, ging ik
terug en zat op het strand om mijn kouzen aan te trekken. Kwamen er
van de menschen die op de Werft aan zee stonden mij helpen (daar het
sterk vroor). Aan boord stonden met hoozen aan op het dek en gingen
na beneden, de matrozen. Ook wel degene die het weggenomen had...
En hielpen niet.
Op mijn bijna twaalf jaren, in het voorjaar, gingen wij weer met de net-
ten na zee en visschen in de Buiten-Lek met aanhoudende zuid-westen-
wind en stormen. En kwamen, meest vissende ver om de noord, op
hoop van een noordenwind te krijgen. Helaas, die kwam niet. En het
eeten aan boord, de brand en 't water raakten op. En met een goeden
visvangst (door gebrek aan alles) moesten wij na land. En verkenden
in het zuidoosten Den Helder of het Nieuwediep, en meenden daar
binnen te lopen. Maar mis hoor! De vloed kwam spoediger dan wij
dachten. En dreven af na een droge plaat, waar een zware golfzee op
stond. En wij voor de wind gingen, om er over te lopen. Dat met angst
geschiedde en uit nood moest. Het volk was allen op het dek. En
niemand sprak een woord. En ik stond bij het spil, dichtbij den ouden
man die aan het roer zat en zag tranen in zijn oogen. En riep ik
102
lachend: 'Kijk, kijk, hij krijt/' En hij zei tot mij: 'D... jongen, als wij
dan in een anker lopen? (...)
En wij liepen voorbij Texel en zagen van verre de Vlieduin. Dat nog
lang duurde eer wij deze voorbij waren. En tusschen Vlie en Terschel-
ling liepen wij op een droge plaat en wierpen het anker uit, tot het
weer dag werd. En gingen de haven van Terschelling binnen, konden
daar geen visch verkopen. Gingen daar na een kantoor dat ons geld
voorschoot, om spijzen en brandhout te koopen. Daar zie ik nog een
zwart brood op de mand leggen die aan boord kwam. Hoe gretig wer-
den die verslonden (want wij hadden honger). En toen die gestild was,
ging ik eens goed zien hoe de haven was. Wij lagen bij een Barkschip
Rea geheten, waarbij een boot lag, waar iedere nacht een man mee
naar boord ging. (Overdag was het mijn vermaak).
Wij gingen met visch marten. En ik mocht ook mee, en zou mij wat
opknappen. (Moeder zei: 'Daar heb je goed als jij ergens komt om aan
te trekken'). Ik pakte uit een broek van een opperman, met kalk aan
klep en knieën. En zoo gingen zij niet met mij, een opperman. En van
wit wilde ik zwart maken, wreef de broek over de lanen en de koeke-
pan, tot het wit nu zwart was. Toen mocht ik mee, na het Oosteinde.
Wij kwamen terug met een mand aardappels en uijen. En toen allens
aan het aardappelschillen en de uijen. En kookte de Groote pod vol,
waar niets van overschoot.
Na drie dagen zeilden wij uit en hadden drie dagen thuisreis. (Zoo ik
meen was het een reis van veertien dagen). Ik kwam thuis en vond
mijn Grootje ziek, en had al dien tijd sprakeloos geleegen en stil ge-
leegen. Zij hoorde mij aankomen, rees overend en sprak: 'Waar ben je
zo lang geweest?' Mijn vader zat bij haar bed en begon te huilen. Toen
hij de ontmoeting zag, mijn vader, zeide hij. 'Zoo lang zij leeft, blijft
gij thuis!' Duurde nog ruim twee dagen, en zij was niet meer. En ik
weende, om het verlies van een voor mij goede grootmoeder.
Een tijd in 't jaar later kwam ik weer als altijd van de reis terug (geen
grootmoeder meer en mijn moeder niet thuis).
Zwart en smerig als ik was kwam buurvrouw Anna, de Badvrouw,
en zei tot mij: 'Trek je bovengoed uit, dan zal ik jouw eris ridderen!'
En zij ridderde mij, hoor, en kwam met een emmer water, groene zeep
en een borstel, en begon de ridderarbeid. Ik voel mijn aangezicht bij
het Schrijven haast nog gloeien! En gevoelde mij wel gereinigd te zijn.
Ik haalde schoongoed en kleedde mij aan, en was er haar zeer dank-
baar voor. En Jan ging niet, als altijd aan het strand schuitje zeilen,
zoo als hij gewoonlijk zijn troost daarmede zocht.
De pret gaat nog meer van het varen af, als onze Jan in zijn kwaliteit
van grote jongen (de gebruikelijke kleine promotie) ook nog het werk
van een luie matroos mag opknappen, die bejaarder is dan hijzelf: vis
schoonmaken voor het middagmaal, het schip lens houden. Zo brengt
hij een tweede zomer door op zee, tot nieuwjaar. Dan komt hij weer
103
bij zijn eerste schipper. En dan gebeurt het erge dat de deur dicht doet:
Het was juli geworden, de tijd van verhuizing. Het jonge volk ging
henen, en bejaarde kwamen in de plaats. Een jong matroos werd ziek
en stierf. Dat was in de maand Augustus. En hadden tot hulp een ma-
troos, een bejaard man. En hadden één man te min aan boord. En het
was in de Choleratijd. En die man kreeg diarree en buikpijn, en wilde
na wal. En kwamen ontijdig of op ongewonen tijd aan. En van het
dorp kwamen zien wat er aan mankeerde, waar ook een broer van mij
bij was, om te horen wat er was. Een oud man werd het eerst aan wal
gedragen aan wien mijn Broer vroeg wat er aan scheelde. En gezegd:
'Wel, je broer wil niet meer varen'. En hij ging na huis en Vader die
tijding brengen. (...)
Daar stond mijn vader mij op te wachten en zei in drift: 'Wil jij niet
meer varen?' En kreeg een klap in mijn gezicht, dat ik achterover op
de grond viel, en ik mij op de rug keerde en zeide: 'Ik zal het je mak-
kelijk maken — trap mij maar dood. Nu is het uit met varen. En zoo ik
al moet, zult gij mij zien gaan — maar niet weerom!'
Mijn vader ging in huis, riep mij en zeide: 'Gij zijt vrij hoor!' Ik begon
mijn zeegoed uit te trekken en ander aan te doen. En ik was toen ver-
blijd en maakte mij vrolijk met het volk dat buiten stond om den af-
loop te zien.
U kunt zich al-met-al voorstellen hoe verheugd onze Jan Snijer was,
toen hij van zijn strenge vader (die elf jaar soldaat was geweest) van
de zee afmocht en zich voegen kon onder de landjongens. Beter duin-
piepers rooien dan visjes vangen in de zilte ziedende zee! En zijn ge-
luk werd nog volkomener, toen hij een vertrouwenspositie als het kos-
terschap mocht verwerven (1853) en toen hij nog tot klapperman met
klink promoveerde ook.
En in een lang leven is onze lange Jan — hij overleed op 14 mei 1920
ten huize van zijn dochter te Haarlem, maar werd te Zandvoort be-
graven - een van de merkwaardigste figuren van de Zandvoortse ne-
gentiende eeuw geweest, terecht in een straatnaam vereeuwigd.
Het is dan ook geen wonder, dat de bejaarden van Zandvoort nog een
aardige aanvulling hebben bij deze fragmenten uit zijn zelfgeschreven
biografie. Lange Jan (vertellen zij) had een leuk zwart hondje, waar
hij veel van hield. Op een keer komen ze bij hem: 'Jan, de jachtopzie-
ners van Quarles van Uf ford ( de landheer) hebben je hondje doodge-
schoten!'
Jan gaat zoeken in de duinen en vindt het lijk. Ter plaatse maakt hij
een grafje, eigenhandig, voor zijn kleine kameraadje. En hij doet, bij
het graf, een verschrikkelijke eed: 'Daar zal een van zijn kinderen
voor sterven!'
Toen de vrouw van de landheer dit vernam, zat zij dag en nacht in
doodsangst. Zij sprak erover met gemeentesekretaris Piet de Vries. En
104
die zei: 'Mevrouw, ik zal met Lange Jan praten.' Jan werd op het
raadhuis ontboden. Piet de Vries ging met hem op de tekst: over de
kerk, over het geloof aan God en ten slotte over de dood van z'n
hondje. De Vries: 'Je doet zonde, Jan.' Lange Jan: 'De eed is heilig, ik
moet het doen.' 'Ga dan naar het graf en zweer opnieuw. Maar nu, dat
je nooit een kind zult doden - je moet het "afzweren"!' En aldus is
geschied.
Al bijna even merkwaardig als het levensrelaas van Lange Jan, is 'De
vertelling van Ouwe Kees' (= Kees Keur), destijds woonachtig aan de
Rozenobelstraat (het smalle opgaande straatje naar de watertoren,
waarvan thans niets meer bestaat), een vraaggesprek van Leo Lauer,
die ook voor twee rake foto's zorgde (Op de hoogte, december 191 5,
XII, 536-539)-
Het gaat in een gemaniëreerde tachtiger-stijl, die nu op onze lach-
spieren werkt, als hij ons al niet verveelt en de keel uithangt.
Hij huist er in een onbewoonbaar verklaarde woning, een krot, en
toch mijmert de grijze er zich tevreden; waar men hem toestond, voor-
loopig in het ruïne-huisken te blijven toeven, schept hij zich een ge-
lukje in 't hopen, dat dat oorlof hem zal blijven tot aan zijn sterven
toe. Want vijf-en-zestig jaar heeft Kees er in zijn steenen hutje geschar-
reld, als wiegekindje in 't houten schommelding, als kleuter, hangend
aan moeder's schort, als aapje, dat op kattekwaad zon, en later toen
de oudjes dood waren, als hoofd van het gezin, met vrouw en eigen
kinders. - En dan hecht je aan zoo'n woon...
De vrouw van Kees is al 15 jaar dood: "n Man op eige bene is 'n on-
ding.' En hij giechelde, wel wat weemoedig, bij dat speelse woord (al-
dus Leo Lauer). 'Ik had d'r nog wat langer kunne houwe, moeder de
vrou, maer 't was d'r eige wil. Ze had 't an de lever. D'r ogen waere
geel as saffraen, en d'r buik was zo dik, dat de dokter zei 'Kees, zei
die, je vrouw het 'n lever, zo groot as die van jou en je broer en je
jonge!' Ze mog vooral geen vlees van 't varreke. En ze was d'r dol op.
'Dan leef ik maer 'n jaer minder,' zei ze altoos. 'Maer vlees van 't var-
reke mot ik.' Jae, we hadden toen eige slacht!'
En nu huist Kees alleen, met zijn poezen. In het enge voorportaaltje ziet
men pas gemaakte manden: 'platte visch-korven, die ze in Zand-
voort zeigers heeten, de buikige, teenen botten, die de vrouwen bij
heur venten, de kerels bij hun sprokkel-dwalen door het duin, aan
zeelen op den rug torsen.'
En Kees kon vertellen dat het een aard heeft. Over zijn dienstijd:
'Schieten kon ik as Napoleon. Dat had ik iens bij het prijsschieten be-
wezen. Vijf flodders moest ik lossen. Viermaal trof ik de roos. Toen
zei de kapitein: 'Kees, nou wat lager anlegge.' Wrachtig, de stommerd
deed 't! Mis! Later snapte ik 't. Nou won de oppasser van de ouwe de
prijs. Dat scheelde mij verlof en zakcenten.'
IOJ
Portret en interieur van Kees Keur. (Foto's Leo Lauer)
Ook over Zandvoort zelf weet hij veel te verhalen. 'Toen we de var-
rekes nog aan huis hadde op Zandvoort, toen had je last van ratte! Je
kon om elf uur je aerappels schille, ze in een pot, borendevol waeter
gooie: 'n uur laeter waere ze vort. We hebbe ze wel op zolder gevonde.
De aepe droege ze gewoon 't leertje (= laddertje) op. Of die bretaal
waere! We hadden 's 'n broeise kip. Die zat op de vliering. M'n vaeder
leefde toen nog. Hij had al langer dan 21 daege gezete, maer te-
voorschijn komme, dat dee die niet. Affijn, we ginge 's kijke, bove. En
daer zat die nog, w'rèchtig, hij zat nog te broeie. Maer de eiere waere
weg, en z'n kop hadde de ratte finael ofebete! Jèèè!'
Van varen moet Kees niets hebben. 'Ze hebbe me wel 's meegenome op
'n garnaeleschuit. Ik zeg: dank je. Dat was iens en nooit weer. Dan
spouw je je hart en je lichaam uit. Voor de zee bin ik bang - niet om
'm te bezien, maar wel om d'r op te weze.'
Vroeger was het mandenmaken een best vak. Maar nu leeft Kees van
de armen, in deze mobilisatietijd. 'Ik heb nog wel's 'n bot gemaekt,
die is naer Londen gegaen. Daer was toen tentoonstelling en daer
kwamme van ieder vissersdorp meide. Van Zandvoort ging er ook
'n meid en die droeg 'n bot op de reg. Ze het d'r een gouwe medalje
voor ekrege. Jae, ze is allang weg. Ze dient, geloof ik. Maer ze draegt
die medalje nog.'
Er is nog zo'n verhaal: Oom Dirk {192.6) door J. W. van Zeijl, ingeleid
door Ds. A. K. Straatsma, waardoor men ook nu weer beseft, hoe kaal
en karig het vissersbestaan is geweest, ondanks het idealiserend weer-
geven van vele dichters en schilders uit een vroegere periode.
'Van de zai weze...' is dan ook het ideaal op Volledam, waar men
versjes bij de hand heeft in de trant van :
Visserman,
Pisserman —
De duvel veegt ze kont d'ran!
De boer, dat 's pas 'n edelman:
't Kalfie komt 'n koetje van!
Bij alle liefde voor de zee en het kerels-verlangende visambacht dacht
men op Zandvoort al net als op Volledam. En toen dan ook door
straatweg en badhuis de grote keer kwam, waren de Zandvoorters er
als de kippen bij om iets te verdienen aan hun beminde zomergasten.
Zo zeer zelfs, dat er volgens de sociologen geen Nederlandse badplaats
is, waar juist ook de vissersbevolking zo prompt zich aanpaste aan de
vreemdelingenindustrie. Mede daardoor zijn de immigranten, die in de
vorige eeuw met het oog op het badbedrijf naar Zandvoort zijn ge-
komen, geheel één geworden met de oorspronkelijke bevolking. Deze
snelle aanpassing kan mede een gevolg geweest zijn van het weinig
'belijnde' Christendom der Zandvoorters. De strenge, stoere Kat-
107
wijkers zeiden immers: 'Zandvoorters, dat is geen volk!' (= uitver-
koren volk).
Volgens Zandvoort, een sociaal geografisch struktuuronderzoek
(Utrecht 1957), heeft slecht 5,5 % van de Zandvoorters het een-of-
ander zeemansberoep. Dat is meer dan het landsgemiddelde, maar het
haalt niet bij vroeger toen Zandvoort bijna geheel een dorp van vissers
en wat daarbij behoort was. Eén enkele garnalenvisser (Jan Bonnie
alias Molenaar) — nadenkelijk over een kwakkende zee met dik waeter
alias garrenaelewaeter — hield de herinnering aan Zandvoorts vissers-
verleden enigszins levendig. Nog in 1957 vermeldt Elsevier' 's Culinaire
Encyclopedie, 'dat de in zoet water gekookte Zandvoortse garnalen
een speciale naam bezitten'.
Naamgeving
Iets meer dan 40% van de in 1947 ruim 9000 zielen tellende Zand-
voortse bevolking is ter plaatse geboren. Het Nederlandse gemiddelde
voor mensen in hun geboortegemeente bedroeg toen ruim 61 °/ . Be-
liep in 19 10 het percentage exogame huwelijken 15, in 1954 was dit
65 geworden. Uit deze cijfers blijkt wel duidelijk, hoe een grote rol het
vreemde in Zandvoort speelt. Meer van deze soort gegevens vindt men
in de bijdrage van gemeentesekretaris Bosman, het eerste hoofdstuk in
dit boek.
Toch heeft de oude kern voor Zandvoort een betekenis, die boven haar
gestalsterkte uitgaat. Deze immers - een blijvend element temidden
van wat verschijnt en soms weer spoedig verdwijnt - voelt zich nog
steeds hecht verbonden niet slechts aan zee-en-zand maar ook aan de
eigen gemeenschap. En van de winterse verveling aan barre winterse
kust, kenmerkend voor de veelal vluchtige en nauwelijks worte-
lende uitheemsen, heeft zij amperaan weet. Folkloristisch effekt van
deze innige oud-Zandvoortse verstrengeling zijn de wel 600 bijnamen
die men nog heden-ten-dage noteren kan. Zij dienen ter onderschei-
ding in een beperkte samenleving met veelal dezelfde familienamen en
zij zijn daarenboven nog veel meer een soms fantasierijk getuigenis van
het nauwlettend met-elkaar-opleven van een primair reagerende face-
to-face gemeenschap, vóór de doorbraak uit 700 personen bestaande
die meestal in mekaar omtrouwden of ten hoogste de echtgenoten be-
trokken uit de strook van Hillegom tot Egmond-aan-Zee. Het sociaal-
geografisch rapport telde indertijd 309 personen te Zandvoort met de
geslachtsnaam Paap en 294 met de geslachtsnaam Koper.
Als oud-Zandvoortse families worden opgegeven: Bakkenhoven (r.k.),
Bluys (r.k.), Bol, Cazander (r.k.), Van Deursen (r.k.), Diependaal
(r.k., Drayer, Driehuizen (Driehuyzen), Van Duivenboden, Duiven-
voorden (r.k.), Van Duyn, Groen, Hollenberg, Van Honschoten (r.k.),
Keesman, Kemp, Kerkman, Keur (ook talrijk), Koper, Kraayenoord,
Loos, Van der Meij (r.k.), Molenaar Van der Mije (n.h.), Paap (n.h.),
De Roode, Schaap, Schilpzand, Van der Schinkel (r.k.), Schuiten,
108
Slag(t)veld, Snijer, Stokman, Termes (De Mes), Terol, Van de Valk
(r.k.), Van der Veld (r.k.), Visser, Vossen, Weber (r.k.), Van der Werf f,
De Wid, Zegwaard (r.k.), Zwemmer.
Karakteristieke voornamen waren of zijn : Merij, Engeltje, Kniertje (naar
Sinte Cunera), Leuntje (van Apollonia), Guurtje (van Godfried), Duif-
je, Ewit (twee Angelsaksische broers Ewald waren medestanders van
Willebrord), Fulp (naar Sint Fulbertus = Folk-bertus = schitterend
onder het krijgsvolk), Kors(tiaan), Krijn (naar Sint Quirinus), Jaep,
Rocus en Wullem.
De familinaam Bluys zou - volgens de Zandvoorters — wijzen op af-
komst van de Schouwse heren Van Bloys. Meer zekerheid heeft de
mededeling van een genealoog, dat de eerste Keur een keurmeester-
van-vis is geweest. De naam Zwemmer kan duidelijk worden door het
Katwijkse woordenboek van Prof. Dr. G. S. Overdiep en C. Varke-
visser (1949), waar de zwemmer een matroos blijkt te zijn, die bij aan-
komst en vertrek van de bomschuit de verbinding met het droge on-
derhield. Hij droeg o.a. de bemanning op zijn schouders naar en van
land. (In Katwijk is zwemme waden door het water; gewoon zwem-
men is er naekt zwemme).
Over het ontstaan van de nobele naam Van Duivenboden bericht S. G.
van der Laars in het album Historische geslachten onder nr. 182 na-
genoeg als volgt:
Gedurende de tweede belegering van de sleutelstad in 1574 stond Van
Duyvenbode, ondanks den hongersnood, in het belang van zijn mede-
burgers, acht zijner duiven af, om deze dienst te laten doen als post-
duiven. Stoutmoedige mannen brachten deze dieren buiten de stad.
Juist, toen de nood in de belegerde veste ten top was gestegen, kwamen
de duiven terug met hoopvolle berichten van Boisot en den Prins van
Oranje. De perkamenten briefjes worden thans nog in het Stedelijk
Museum bewaard. Als belooning voor zijn diensten tijdens het beleg
verkreeg de organist den naam Van Duyvenboode en het boven be-
schreven geslachtswapen: in zilver twee schuingekruiste sleutels van
keel, vergezeld van vier duiven van azuur. Hij woonde op het Rapen-
burg te Leiden, waar het in den gevel aangebrachte wapen thans nog
te zien is en kort na zijn begrafenis in 1606 in de Pieterskerk, werd
tegen een pilaar zijn wapenbord aangebracht met het volgende rand-
schrift:
Door Godt gewrocht,
hebben de duyven die brieven binnen Leyden ghebrocht.
Willem Corneelissen van Duyvenboden.
En dan nu de onofficiële naamgeving, dat hachelijk produkt van
'efficiency' en kritisch pal-op-elkaar leven. Patroniemen - vaders-
namen — zijn daarbij talrijk: Jans van Niessie, Maart van Job en Floor
109
van Job van Ante Foe. Soms houdt de bijnaam verband met andere
kontreien: de Katteker reder, Rijnsburg, Tessel, de ouwe Marker, de
Engelse Schelling. In het merkwaardige en nog vrijwel on-onderzoehte
Egmond-aan-Zee klinkt de Nederlandse eu zo ongeveer als een ee.
Naar Zandvoort verhuisde Amenders heten daardoor: de Keeke (= de
Keuken) en Blinde Teenis (= Teunis).
Dialektelementen verneemt men voorts nog in: het Ezelekind, Kap-
pedosie, Stoppeles, Taetemem (= vader en moeder), Holleblok, Watje-
wang, Ouwe Keggie (Kerkman). In het religieuze liggen: Amos, Levi en
de Zendeling.
Voorts zijn lichaamseigenaardigheden een maar al te dankbaar objekt
in de naamgeving: Kees Bil, Jan Triel (erg klein), Sijt Ham (Zwem-
mer, naar haar achterdeel), Dosie (klein bij zijn geboorte, later heel
groot), Bierbuik, Gortbuikie, de Prop, de petieterige Van Kieten (de
Sparrewouwer reus was een Van Kieten!), Muisie, Snippertje Mens, de
Staende Klok, de Kattebochel, Lokkiebol, Scharreneusie, Bomneus.
Namen afkomstig uit de prilste kinderjaren zijn bijvoorbeeld: Pierie,
Broerie Toet, Poppe Moekie, Tippie. En het allermooiste: Tientoptoje,
dat ontstond uit een kinderlijk verbrabbeld Ik zei je 'n stien voor je
kop gooie! Merkwaardig ook, dat scheepsnamen en bijnamen samen-
gaan: Mos, Vink, Bal, Kous en de Kraai. Jaep Sok (alias Jaap Koper)
nam afscheid als schipper en zijn opvolger heette toen als vanzelf
'De Kous' - aldus weet men ons in 1968 te vertellen. Al even zonne-
klaar is Piet van 't Waepen, de bijnaam van Pieter Koper (geboren in
1866), kastelein in Het wapen van Zandvoort, die ook Piet van
Joppie Meut heet. Dappere Kees, ook een kastelein, heette naar zijn
nevenberoep: het kiezentrekken.
In vele gevallen is de oorsprong van de bijnaam ook voor ingewijde
Zandvoorters niet meer te achterhalen. Maar wèl kunnen wij ver-
nemen hoe de 103 jaar geworden Tante Jans de Kraai (= mevrouw
Jannetje van der Meij) aan haar algemeen gebezigde bijnaam is ge-
komen. Wij citeren hiertoe het hoofdartikel in het Zandvoorts Nieuws-
blad van 6 december 1957:
Haar vader had als schipper van de vissersboot De Kraai - vandaar
zijn en haar bijnaam — in geen geval een rijk bestaan, de zorgen bleven
dit grote gezin niet gespaard. Later, toen haar vader ouder was, werd
hij koster en doodgraver bij de Rooms-Katholieke Kerk. Op een mor-
gen kwam hij naar buiten en zag een bordje op het tuinhek getimmerd
waar het volgende rijm op te lezen stond:
De kraai die leeft, als niemand leeft,
Dan heeft ie melk en brood.
De kraai die sterft als niemand sterft,
Want hij leeft van de dood.
En ze schatert nog van het lachen bij de herinnering eraan.
110
Na dit relaas over bijnamen zult u wellicht vragen: en hoe moeten
wij de naam Zandvoort zelf dan wel verklaren? Nu, deze naam is heel
doorzichting: het is een samenstelling van zand- en het in de topony-
mie alom bekende -voorde. Dit in vrij gebruik uitgestorven voord(e)
hoort bij het werkwoord varen, dat oorspronkelijk de algemene be-
tekenis van zich voortbewegen bezat. Vergelijk nog uitdrukkingen als
Hoe vaart u? en het duitse fahren. Vertaalt men -voorde in woorden-
boeken en toponymische geschriften steevast als doorwaadbare plaats,
in het geval Zandvoort geven wij - gezien de ligging van het dorp - de
voorkeur aan de ruimere en meer antieke betekenis van doortrekbare
plaats alias overgang of doorgang. Reeds de schrandere B. W. A. Sloet
tot Oldhuis dacht er in 1859 evenzo over, als hij in zijn zaakrijke Oeco-
nomische beschrijving van de badplaats Landvoord (let op de histo-
risch-korrekte d!, die ook blijkt in dialektisch 'Zanfurders' = Zand-
voorters) verklaarde:
Landvoord ligt op eene plek, waar de uiterste duinketen gebroken is,
in eene voorde, die onmiddellijk naar het strand leidt.
(Tijdschrift voor Staathuishoudkunde en Statistiek, deel 18, blz. 4).
Zandvoort lag ook naar onze mening daar waar de natuurlijke heir-
weg die het strand in vroeger eeuwen gevormd heeft een oostelijke af-
takking bezat — naar het lagere gebied der oude binnenduinen — via
een wat lager gedeelte van de zeereep en een grote, ruime duinvallei
waarin ten slotte de Rel (rel = waterloop, vgl. Duinrei en het Engelse
rill) zich formeerde. Van deze voorde profiteerde Witte van Haem-
stede, toen hij 26 april 1304 geland was bij Santjoerde en door de
duinen oprukte naar het een-of-ander Manpad waar hij de Vlamin-
gen wist te verslaan. Aldus, de plaatsnaam inbegrepen, Melis Stoke in
zijn rijmkroniek (1 303-1 305). Met Dr. G. Karsten (Noordhollandse
plaatsnamen, anno 195 1) en H. J. Moerman (Nederlandse plaats-
namen, anno 1956, blz. 254) die voort ook hier als doorwaadbare
plaats opvatten, kunnen wij ondanks de waterrijkdom der voormalige
duinlandschappen bezwaarlijk akkoord gaan. - De Zandvoorters zelf
noemen hun dorp Zanfert.
Hadden de Zanfurders in hun geheel een scheld- of bijnaam? Nauwe-
lijks. In Katwijk-aan-Zee kan men horen: 'Alles wat boven Noortech
(= Noordwijk) woont, dat is raerechhaaid' . En in een officieel stuk
vindt men Haarlemse kwalifikaties als Sandvoorder Vee en vagebon-
den (1794). Eigen Volk, jrg. VIII blz. 225, vermeldt Zandvoorter
walvissen en zoekt de verklaring in de inderdaad ook door de Zand-
voorters beoefende walvisvangst. Waarschijnlijker is het, dat bijvoor-
beeld de fameuze wegstranding van een reuzenwalvis van Noordwijk-
aan-Zee naar Zandvoort de aanleiding is geweest tot deze hoogst on-
schuldige naamgeving. 2
Ten besluite van dit hoofdstuk mag een enkel woord volgen over de
in
naam Bentveld, de aan Zandvoort onderhorige buurtschap. Is -veld
zonder meer duidelijk, het eerste lid bent- staat ontegenzeggelijk in
verband met het stugge bentgras (molinia) — ook wel pijpedoorsteker
genaamd - dat het best op vochtige zandgronden gedijt. S. Wilson, in
zijn Beknopte geschiedenis van Bloemendaal (anno 1952, blz. 46),
wijst erop, dat Bentveld ca. oudtijds steeds onder water stond. Ja, in
de winter kon men wel op de schaats naar Zandvoort! De nattige
bodemsituatie van onze vroegere duinen blijkt trouwens ook uit de
naam van het met konijnen gepopuleerde duinlandschap Zegveld c.q.
Zekveld of zelfs in de volksmond 't Stekkeveld, waarin wij zegge =
riet met snijdende bladen herkennen (vgl. het Latijn secare = snijden).
Ook op een prent in het Haarlemse gemeentearchief zien wij een heu-
selijk duinlandschap, met een klein meertje in de vallei, niet ver van
het dorp.
In deze samenhang mogen wij ook nog wel eventjes wijzen op een ken-
schetsend en veelvuldig voorkomend toponiem als kroft = duinakker
(later: krocht), dat men vergelijken mag met het oudengelse croft =
afgesloten landstuk en het middelnederduitse croch = omheind stuk
land. Het stemt tevreê dat dit voor onze Hollandse duin- en geest-
gronden zo karakteristieke toponiem tot in lengte van dagen in Zand-
voortse straatnamen bewaard blijft (Grote Krocht en Kleine Krocht).
Ook in Haarlem is Krocht een straatnaam in de binnenstad (vgl. nog
ons boek over Schoten - Zeven Heerlijkheden - blz. 113).
Volksverhalen
De bovengenoemde Mr. B. W. A. E. Sloet tot Oldhuis - die als dich-
ter op een stemmige wijze Oostnederlandse volksmotieven wist te be-
werken - heeft op Zandvoort, zelfs in 1859, vrijwel niets gevonden
dat zijn romantische inspiratie gaande zou kunnen maken. Sporen van
oud bijgeloof vermocht hij er niet aan te treffen, 'doch even als aan de
stranden van het oude Hellas ziet men ook hier de schipbreukelingen
zonder hoofd of armen langs de zee dolen' (blz. 16).
En zoals Sloet tot Oldhuis het destijds gevonden heeft, zo is het heden-
ten-dage in versterkte mate. Wel een verschil met het oud-katholieke
Egmond-aan-Zee, waar de heugenis aan de kol = heks en de kollever-
drijver bij-lange-na niet is vergeten. Thijs Mol noteerde indertijd het
een-en-ander over belezen = het uitspreken van bezweringen ter uit-
drijving of afwering van de boze geest en zijn invloed op Zandvoort-
aan-Zee. 'God zei je ringbote', zei Lange Teun, de belezer. 'Pas is er
nog een gestorven, die 't kon' (1959). En dromen wat uitkomt, nog al-
tijd is iemand die met de helm werd geboren er niet vrij van. Dit dro-
men kon betrekking hebben op het nogal onschuldige weglopen van
een jongen midden in de nacht. 'Maer as 'r ien anspoelde droomde ik
't ook'. 'Een vrouw die drie dagen getrouwd was' - zo wordt er ver-
teld - 'zag haar man nat in de deur staan. Inderdaad hij is verdron-
ken'. 'En er was ook een vrouw, die woonde waar nou barbier Schaap
112
woont. Die wist het te vinden, als er iets gestolen was. Toen grootmoe-
ders kousen gestolen waren, zei ze: "Laat maar hangen, ze zitten vol
ongedierte"!' (1959). Ook sagenboeken geven vrijwel geen zand-
voortiana. Brengt W. J. Hofdijk - de aanvankelijk nogal feodaal ge-
oriënteerde Kennemer Minstreel - in zijn overrijke balladenboek Ken-
nemerland noch iets over Egmond-aan-Zee noch iets over Zandvoort
te berde, ook J. R. W. Sinninghe, in zijn Hollands sagenboek (1944),
geeft slechts een historisch motiefje en dan nog over de Blinkerd ten
tijde van Witte van Haemstede. In S. Franke, Legenden langs de
Noordzee (Zutphen 1934), vertelt Dr. H. C. Prinsen Geerlings, bij
wijze van kennemer volksmening (blz. 149):
Wanneer bij boos weer op zee de meeuwen zich te Haarlem vertoonen,
zegt men: 'De Schout van Zandvoort laat zijne duiven vliegen'.
Elders zijn dit de duiven van de Katwijker dominee. Ja, ook helemaal
in West- Vlaanderen - tussen haakjes: er zijn daar maar liefst twee ge-
meenten die Zandvoorde heten! - is dit aardig motiefje welbekend.
Het Brugse Biekorf, Westvlaams archief voor geschiedenis, oudheid-
kunde en folklore meldde het immers grasmaand en bloeimaand 1958
voor een tweetal kustkontreien. Ietwat afwijkend in de Noordhol-
landse lezing is de vervanging van pastoor of dominee door een
wereldse autoriteit.
Al-met-al heeft u nog altijd geen oud-Zandvoorts verhaal in ten-
naaste-bij oud-Zandvoortse taal onder de ogen gekregen. Kunnen wij
dit nauwelijks verstrekken in het min-of-meer okkulte genre - er is
wèl een historische sage, uit de Franse tijd, die wij kunnen opdissen.
Wij volgen ten dele de dialektlezing bij mevrouw E. Jongsma-Schuiten
(de oud-Zandvoortse echtgenote van de uit Friesland afkomstige ga-
ragehouder), die zij vervlocht in haar met behulp van Piet van der
Mije samengestelde taferelen uit Zandvoort onder de Franse bezetting.
De legendarische afloop van de sage danken wij aan wijlen tante Jans
de Kraai bovenvermeld. Dr. B. van den Berg in zijn belangrijke studie
Het dialect van Zandvoort en zijn plaats in de Hollandse dialecten
(1959) geeft een verwante lezing door Jaap ter Mes, waarin de over-
oud-aandoende begraving-in-de-muur (een soort van bouwoffer?) het
lot blijkt te zijn van een andere Franse soldaat, die te aanhalig had
gedaan ten aanzien van een getrouwde Zandvoortse (blz. 43-44).
Nou, d'r was 'n Fransoos ingekwartierd in doin - bai de doinbaes op 't
Paeredais, Aert van mem Mop. Nou, ze gaene daer 's middags an
taefel: de vrouw bringt 'n gróóte schael mit aerepels binne mit 'n koppie
dóóp in 't midde. Ze gaen bidde en wulle daernae begunne mit ete. De
kindere prikke 'n aerepel op hullie verrek. Effe in 't koppie dóópe.
Dan ete ze deur.
Maer die Fransman, die wul iet vrete. Aert die vraegt, zo goed en
"3
kwaed as ie dat kon duije, wat er an schort. En daer zegt me die vent,
dat ie eêk (edik = azijn) wul hebbe in plaets van vet. Goed, Aert die
zait dus teuge ze waif : 'Hael wat eêk - meheer wul eêk hebbe!'
2e waif komt berom mit 'n kommetje eêk. En die Fransoos, die giet
dat hiele kommetje pardoes over de schael mit warme aerepels! Dat de
kinderen die beginne te kraite en te sjompe van geweld. De vrouw die
zait: 'Wat doe je nou?' teuge die vent. D'r man ommers die verrekte
van de honger, hij had nog maer net ien aerepel op ze verrek estoke.
En hij wordt zo kwaed, dattie graipt 'n bats, de schop, die in 'n houk
van de kaemer staet en hai wul die Fransoos te laif. Maer die vlucht
de deur oit. En onze Aert 'm achternae, doin in. 't Paeredaisveld deur,
't Flesseveld, 't Worstevlakkie, de Eerste en Twiede Vlaje (valleien).
Bai de Pikkese Del, daer het ie 'm onder ekrege en dóódesloege. En toe
hebbe ze laeter 't laik van die seldaet in 'n muur emesseld. Dat kwam,
omdat ze in die buurt net mit messele bezeg waere. Mit 't of breke van
't hois, toe hebbe ze de ribbekast van die Fransman berom evonde. In
de Kerkstraet.
In 't uniform van die Franse seldaet is Aert van mem Mop wegevlucht.
Maer 't spreekwoord zait:
Gien kwaed zo gróót,
Of het bloedt dóód.
Nog in de Franse taid is Aert berom ekomme. En hai het gien sentje
last ehad.
Volksliederen
Sinds Herman F. Wirth en zijn Der Untergang des niederlandischen
Volksliedes (191 1) is er veel en gemakkelijk gepraat over de liederen-
verdervende invloed van ons vaderlands calvinisme. Bij onderzoek
echter blijkt dat christelijke dorpen als Katwijk en Zandvoort totvoor-
kort dorado's van spontane volkszang zijn geweest. Voor Katwijk
toonden wij dit uitvoerig aan in het Leids Jaarboekje voor 1953, en
ook in Zandvoort is de zanglust vanouds inheems. Er bestaat zelfs
een liederenboekje dat de naam Zandvoort in de titel draagt: De Op-
rechte Sandtvoorder Speelwagen, een uitgave door Isaak van der Putte
te Amsterdam van omstreeks 1 73 o. Is in de verzameling Scheurleer (cata-
logus I, blz. 322) een exemplaar aanwezig, wijlen Dr. C. Brouwer te
Haarlem bezat er eveneens een. Het eerste liedje in deze bundel is een
Scheyd-Liedeken, dat onder vele andere Zuid-Kennemer namen ook
Santvoort noemt. In dit verband past een Oudhollands schilderij op
een tentoonstelling in Emden te zien geweest: een strand met barokke
wandelaars waarboven men leest 'Het ghaet al na Sandvoordt' (zie
afbeelding op blz. 130). In de Haarlemse Pinxtervreugd (17de eeuw)
wordt zo'n tochtje — men schranst in 't Oude Schontje' — op rijm be-
schreven.
Historie terzijde: op Zandvoort wordt nog uit volle borst gezongen.
Hoor die tante Jans de Kraai maar eens, hoe zij — meer dan een eeuw
114
oud zijnde - nog alle koepletten van 'Toen ik op Neêrlands berregje
stond' wist op te halen. En nog herinnert zij zich de uitroep van feest-
vierende nozems: 'Hier mot je weze, hier zijn nog jonges die 't Wil-
helmus blaeze!' Bijzonder mooi vond zij de feesten in het houten ge-
bouw. 'En dan maer zinge en lóöpe: 'Kom, laete wai 'n wandeling
gaen doen, Al in het jeugdig groen, Mit 'n maisie van fatsoen'. Een
hele attraktie waren voor haar in die dagen van olim de musicerende
blaespoepe op het strand, aan wie Heinrich Kluse uit Bückeburg een
geestig versje heeft gewijd (zie zijn bundel Erinnerung an Zandvoort,
(1890, in de Openbare Leeszaal te Haarlem) en waarvan ook graag
gekochte prentbriefkaarten bestaan.
Op de zo intieme en plezierige avondjes van het tegenwoordige De
Wurf, de op 1 februari 1949 gestichte buurtvereniging voor het oude
dorp (de worf(t) = zeekant), hebben ze ook graag dat het in het lied
gegooid wordt. Vooral wanneer Engel Paap erbij speelt op zijn schip-
persklavier, daarbij uitgedost in Zandvoortse spullen: roodbaaien on-
derhemd, daaroverheen met halve mouwen de donkere hoezee. Hij
kan ze allemaal meekrijgen als het gaat om Daisy; O, was ik maar
dood, Die ik liefheb die krijg ik toch nooit; Neêrlands bergen; En
daar waren eens drie matrozen; Niet zo raar, blijf met je handen van
me boezelaar; Sien, Sien, Sientje, la-me-los; O, me lieve zwartkop,
voel eris hoe me hart klopt en O-o-o-, en wat is er met die meid? Grap-
pig en sappig deint het erover, en menige koon wordt rood gestoofd
bij de pure pret van het prikkelend zingen. Op zo'n Zandvoortse
avond hebben wij ook al eens met volle teugen kunnen genieten van de
bijval die mejuffrouw E. Bakels, alias tante Bets, wist te verwerven
met de vertoning van een bescheiden keus uit haar kolossale verzame-
ling van dikwijls fraaie lantaarnplaatjes. Bij manier van slotakkoord
zette zij de bekende ansichtkaart van het Zandvoortse volkslied op het
doek. Er kwam niet alleen een klaterend applaus, neen — vol toewij-
ding werd het meegezongen, alle vier de strofen:
1
Gelukkig wij! de frisse lucht
En 't vrij en open strand
Verkwikt en sterkt ons ied'ren dag;
Ons huis staat hoog op 't zand.
Wij leven vrolijk en tevreê, )
Omdat wij wonen aan de zee (
2
Het zoute nat dampt levenskracht
En levenslust in 't hart;
Het ruim en heerlijk zeegezicht
Verdrijft bij ons de smart.
Wij leven vrolijk en tevreê, )
Omdat wij wonen aan de zee. (
"5
2X
Met het hele hudjemudje naar Zandvoort aan de Zee (1902), kleur en-
prent van Gerard Kerkhof f (Rijksarchief, Haarlem)
Ver van de stad, met al haar pracht
En al haar ijdelheid,
Zien wij het prachtigste van al:
Het beeld der Eeuwigheid.
Wij zijn geboren aan de zee,
Dat maakt, dat maakt ons weltevreê.
>2X
Haar groen gewaad, haar sneeuwwit hoofd
Betov'ren steeds ons oog.
En als zij raast en kookt en brandt,
Slaan wij den blik omhoog!
Gelukkig immers is ons lot! )
2X
Waar zee, waar zee is, daar is God! \
Eerlijk gezegd: aanvankelijk vond ik het enige mooie van dit volks-
116
liedje - in 1846 ontstaan bij de opening van de bewaarschool - de
geestdrift waarmee het wordt gezongen. De tekst immers is nogal kon-
ventioneel en de melodie werd overgenomen, zij het uit Nederlandse
koker: zij is oorspronkelijk door Wilhelmus Smits (Amsterdam 1804-
Amsterdam 1869) bestemd geweest voor Klein vogelijn op groenen
tak van J. P. Heye (o.a. in Kun je nog zingen, zing dan mee!). Maar
juist door de konventie - die vaardigheid niet uitsluit, men lette op
de rake slotregel! - kan zo'n eenvoudig versje het volkomen doen: het
mag zonder veel moeite als de voor de hand liggende stem voor ieder-
een fungeren en is als zodanig niet door een individueel kunstgewrocht
te vervangen. Naar de sfeer past het bij een Christelijk vissersdorp
dat vanaf het begin van de zeventiende eeuw een drietal als Christus-
monogram over elkaar gelegde vissen als wapenteken voert. Toen de
Zandvoorters door maatregelen van de Duitse bezetter uit hun dorp
weg moesten, was het meer dan een volkslied - het was een hymne,
een psalm.
Belangrijker nog dan al deze overwegingen is het feit dat de wel-
sprekende woorden afkomstig zijn van niemand minder dan Ds. C.
Swaluë, die van 1836 tot 1882 een getrouw en bemind zieleherder te
117
Zandvoort is geweest. Een van zijn stokpaarden was het opstuwen
van de plaatselijke volkszang, waartoe hij o.a. de evangelische gezan-
gen in de kerkdienst heeft ingevoerd ('Houdt gij mijn handen beide').
Als wij het dagboek van Jan Snijer geloven mogen, dan dateert domi-
nee z'n zangkoortje van omstreeks 1844. In haar suksesvolle De red-
dingbooi vaart uit laat Mejuffrouw E. Bakels het aldus vertellen:
Jae, kind, dat is al 'n taid berom. Dominee Swalue' kwam 's voor 'n
hois en 'n maid was daer an 't zinge. Hai gong in bois en zee: 'Maid,
hoe kom je an die mooie stem?' Ze zee: 'Domenee, dat is van de zoivere
zeelucht!' Nou, toe mosse ze op 'n aevend bai domenee an hois komme
en wier d'r 'n koor opgericht. Ze hadde ook wel eris 'n feesie bai Drie-
huyzen. En dan krege ze sukkelaad en krentebrood.
Jaren nadien kan het uurtje vrijdagavondzang onder leiding van Ds.
Swaluë, nu in de kerk en met vrije toegang, in geen beschrijving van
Zandvoort ontbreken: Sloet heeft het erover in 1859, en °°k Eigen
Haard van 1881 spreekt ervan. Het was ondertussen een zangkoor
van 80 tot 90 personen geworden: Door beschaving tot veredeling,
alsdus de echt-vorig'eeuwse betiteling.
En een der lijfnummers was het boven aangehaalde Zandvoortse volks-
lied, dat zelfs eens in het Duits is vertaald door een Duitse hoogleraar
die een tijd lang in Zandvoort logeerde.
Toen dominee 25 jaar te Zandvoort had gestaan, was er een machtig
kado voor hem: een groot gespijkerd kleed op de grond, een pendule
en meubelen. Het zangkoor, in de pastorietuin op banken gezeten, zong
hem feestliederen toe. Dominee trok wit weg van aandoening - aldus
Jan Snijer in zijn dagboek - en hij had geen woorden meer. Maar wel-
dra herstelde hij zich en daarna sprak hij, de visserman (zo noemt
Sloet hem, in klassiek Grieks, in een eigenhandige opdracht), tot zijn
getrouwe vissersvolk rondom het thema: 'Ik leefde temidden mijns
volks'.
Van deze beminde en werkzame predikant dus, evenals zijn kollega
pastoor J. J. PAmi (18 51-1889 te Zandvoort) de ware volksvriend, is
het Zandvoortse volkslied afkomstig. Dat het nooit vergeten worde!
Er is nóg een lied dat stevig vastgeklonken zit aan Zandvoort. Maar
dit lied kent heel ons vaderland: het is 'klassiek' geworden, het is een
'classic' oftewel een 'evergreen'. Hier heeft u het:
1
Wanneer het lekker weer is,
De natuur in blijden lach,
Haalt pa zijn strooien hoed
En moe haar bloesje voor den dag.
De meisjes maken stijve papiljotjes in d'r haar,
De jongens kopen 'n zwembroekje, dan is het zaakje klaar.
118
Om vijf uur 's morgens is het hele stel al in de weer,
Ze stappen naar 't station en vader zegt: 'Acht buurtverkeer!'
Refrein:
We gaan naar Zandvoort bij de Zee!
Met vader, met moeder, met broertje en met zusje,
Ome Piet, tante Griet en het hele familie-husje
Gaat naar Zandvoort bij de Zee,
Nemen broodjes, koffie mee.
O, het is zo'n zaligheid,
Wanneer je van de duinen glijdt
In Zandvoort bij de Zee.
i
Mama zat in een kuil
Die kleine Kees gegraven had,
En Vader staat te grinniken
Bij het gemengde bad.
Mama zegt, dat haar man een ouwe sijsieslijmer is,
En tante roept: 'Schei uit nou, zus, de zee is hier zo fris!'
Ze plast en tilt met breden zwier haar baaien rok omhoog,
Maar plots'ling geeft ze een gil en schreeuwt: 'De zee zit in m'n oog!'
Refrein.
3
De snobs uit Amsterdam
In 't helderwit flanellen pak,
De ridders van den kouden grond
Met 'n kwartje in d'r zak,
Die prefereren Zandvoort, want je vindt er meer natuur;
Oostende is banaal, Monte Carlo is veel te duur;
Dies gaan ze naar Zandvoort, zo beweren ze met klem,
En zingen keurig met hun halvezachte foscostem:
Refrein.
Op de omslag van de uitgave voor zang en piano - ter beschikking ge-
steld door Alex de Haas - leest men: Zandvoort bij de Zee (Seaside
on the Brain). Muziek van H. Darewsky Jr. Woorden van Louis
Davids Jr. Met enorm succes gezongen door Henriëtte & Louis Davids
in Rido's Revue Loop naar den Duivel. Copyright for Holland and
Colonies: Vennootschap Muziek en Letteren, Amsterdam. (Engeland:
Francis Day and Hunter: Londen W.).
Het nader ontstaan van Zandvoort bij de zee — zo kenschetsend voor
Zandvoort dat van luxe badplaats tot Mokumse volksbadplaats was
geworden - verhaalt Jan Feith in zijn Tingeltangel (Louis Davids be-
schreven), Amsterdam 191 8, blzz. 142-148. Davids blijkt het voor een
schamel tientje verkocht te hebben, dit populairste van al zijn revue-
119
liedjes. Het ideetje - vooral de melodie, maar ook enigszins de tekst -
had hij opgedaan in Londen, waar het helemaal geen suksesnummer is
geworden, ofschoon de komponist Harm Darewsky - een Pool van
origine - al heel wat toptreffers op zijn naam had staan. Francis Day
& Hunter hebben het, op het jaar 1914, aldus genoteerd in hun reuzen-
fonds: Music by Hermann E. Darewsky and Lyric by R. P. Weston. It
was sung at Music Halls and Theatres by Miss Daisy Wood. Davids
neemt Seaside on the Brain, na een bezoekje aan Londen, mee naar
Holland en hij vergeet het geval. Maar op een dag zit hij wat te lum-
melen achter een stapel militaire paperassen (hij was toen gemobili-
seerd) en daar schiet hem ineens dat Engelse wijsje tebinnen. En hij
kan het niet meer uit zijn hoofd zetten. Als gewoonlijk krijgt het re-
frein het eerst zijn tekst, aanleunend bij Davids z'n:
Waarom is de zee in Scheveningen,
En niet in Amsterdam?
Volgens eigen zeggen had Davids het hele dingsigheidje in tien minu-
ten klaar-en-opgeschreven, met een Franse bewerking van het refrein
(Zandvoort prés la mer) erbij inbegrepen. De première kwam, de vol-
gende winter, in het Amsterdamse Flora-theater, in de revue Loop
naar den Duivel van Davids' zwager Philip Pinkhoff alias Rido, als
inlage in de derde akte. Davids trad dan op als Mokumse vuilnisman
samen met zijn zuster Heintje, wijf uit een kelder. Was het de eerste
avond een sof, daarna is de scène nog wel 350 avonden met het groot-
ste sukses op de planken gebracht. Zodat het aan het Engels ontleende
Zandvoort bij de Zee een onuitroeibare deun is geworden hier te lande.
'Zou er nog iemand in Nederland zijn, die het niet kent? Het was een
van die onsterfelijke creaties van Louis, zoals hij er later zoveel heeft
gehad' (Jan Liber, Altijd maar draaien, de levensroman van Heintje
Davids, Amsterdam 1963, blz. 56).
En nóg is Zandvoort bij de Zee op geen stukken na uitgezongen. Illus-
treerde het vóór vijftig jaar het speelfilmpje Trijntje en Mijntje in
Zandvoort-aan-Zee, het is nu zelfs samen met Gort-met-stroop (waar-
over later) het herkenningsthema van de oud-Zandvoortse dansgroep
die najaar 1957 de gelederen van de buurtvereniging De Wurf is komen
versterken.
Feesten volgens de kalender
Op groene zomer volgt, als het goed gaat, gouden oogst. Voor het
vissersdorp Zandvoort, dat oorspronkelijk slechts drie kroften in stand
wist te houden, was de oogst niettemin in de vorige eeuw - bij de
snelle uitbreiding van de duinaardappelteelt - een gebeurtenis van be-
lang. Er werd van de leste stroik dan ook enig werk gemaakt, als is
het niet te vergelijken met de feestelijkheden elders rondom de laatste
korenschoof. Ph. Sadée (1837-1904) heeft eens een schilderij van dit
120
aardappelrooien vervaardigd, die ook als prentbriefkaart door de
wereld is gegaan - zelfs met Scheveningen erop.
Sintmaarten, 1 1 november, was toen het nog niet van hogerhand ver-
boden en uitgeroeid werd, een geliefd Zandvoorts kinderfeest, dat
een wederopleving ten volle waard is. De voornaamste attraktie
vormden de Sintmaartensvuren, vooral afgestoken in het Brederode-
duin, waarvoor het materiaal als het goed ging naar oude zede en
overal vandaan gestolen moest zijn. Vanwege dit stelen en het brand-
gevaar en bovendien vanwege het erge vechten tussen de rauwe Noord-
buurters en de sjieke Zuidbuurters, heeft de politie gemeend er een
stok voor te moeten steken. Dergelijke vuren komen nog hier-en-daar
in Nederland wel voor: in Limburg, in Friesland, in welke laatste
provincie zij zich opnieuw uitbreiden. Zuid-Kennemerland kende ze
omstreeks 1850 ook bij Vogelenzang, blijkens De Navorscher, jrg. r,
blz. 3Ï, die het heeft over een groot Sint-M aar tensvuur, dat de boere-
jongens telken jare aldaar ter plaatse ontstaken (J. ter Gouw, De
Volksvermaken, Haarlem 1871, blz. 247).
In Volkskunde, jrg. 1899, blz. 219 bericht P. Gertenbach over het
boven aangestipte oud-Zandvoortse gebruik. Hij vermeldt uitdruk-
kelijk vuren in het meervoud en hij wijst op het stelen van de brand-
stof (dat ook in Limburg nog altijd goede zede is). Het ook door Ger-
tenbach genoteerde rijm, gezongen tijdens de blije ommetocht door
het dorp, hoorden wij onlangs door ouden-van-dagen aldus opzeggen:
1
Mense, pas op je mande!
We zelle ze gaen verbrande
In de Pikker ze del, —
Verstaen je me wel?
Dan zei je ris zien,
Over 'n uurtje misschien,
Hoe 't brande zei!
Suntere-Maerte, wat is het koud!
Geef me 'n turrefie of 'n hout,
Geef me 'n hallif vaatje,
Dan ben je m'n beste maatje!
12
Geef me 'n appel of 'n peer,
Dan kom ik 't hele jaer niet weer.
Gert Heimer, die in Volkskunde (jrg. 57, blzz. r— 21) over Het Sint-
maartenslied in Nederland heeft geschreven, heeft deze voor-de-helft
unieke Zandvoortse lezing over het hoofd gezien. Regel 8 t.e.m. n
121
zijn algemeen bekend, speciaal in Noordholland; regel 12 en 13 zijn
nog bekender, ja, afgezaagd; maar de zeven beginregels - met het
overige zestal (waarin Christelijk-onderdanig gevraagd wordt) in een
krasse tegenspraak - zal men niet licht elders ontmoeten. Men waar-
dere de minzame waarschuwing vanwege onze dievende gentlemen,
wier diefstallen (die meteen schoon schip op de werven maken) op
overoude inzichten berusten waarvan men in verscheidene naslag-
werken de merkwaardige parallellen en de achtergronden kan ver-
nemen (K. ter Laan, Folkloristisch Woordenboek, blz. 392). Slechts
één parallel (Driemaandelijksche Bladen, jrg. 1906, blz. 92) mag deze
singuliere Zandvoortse aanhef enigszins illustreren: 'Als de nage-
boorte van een koe niet los komt, dan steelt men een handjevol hooi,
voert dit aan het beest en weldra is de zaak in orde'. Men lette verder
nog op de dialektische kleur van dit zevental regels en op het kern-
achtige toponiem (ook als Pikkelse del uitgesproken), dat men niet
Zandvoortser wensen kan, berustend als het is op een nu vergeten
Zandvoortse bijnaam.
Met Suntereklaes was het smakke geblazen, d.w.z. dobbelen of loten
om bakkerij-artikelen. 'As je dan 'n krentemik voor vaif cente won,
dan was je raik!' Ouwe Bet ziet 't nog voor d'r ogen gebeuren: 'Jaep
Sok (bijnaam) op de toanbank en dan maer schreeuwe van:
'Wie hait d'r nommer vaif?
Nou, die hait Sundereklaes z'n waif!'
In 1633 kreeg het voormalige Gasthuis (zie de bijdrage van R. C. Hek-
ker in dit boek) een legaat van ƒ 5432,- van Agneta van Ackersloot,
geestelijke dochter te Haarlem. Hierin de bepaling dat jaarlijks op 17
januari (haar sterfdag) de verpleegden 'een recreatie van een half co-
nijn ende een pinte wijn zou gegeven worden'.
In dit verband past wellicht ook nog de bijzonderheid, dat elke jager
slechts eenmaal of tweemaal in de week een of twee paar konijnen
mocht vangen en dan alleen nog maar tussen Sint-Jakob (25 juli, elders
bekend als dag-van-de-oogst) en Maria Lichtmis (2 februari, een be-
kende kalenderdag). Op de vijfde februari oftewel Sinte-Agatha - aan
wie samen met de heilige Adrianus de roomse kerk is gewijd - was er
vanouds ook iets te doen. In de aanstelling van de duinmaayer Jan
Corstiaansz. van der Mije als helmplanter (7 december 1787) leest
men dat hij ook in last heeft eenmaal des Jaars teegen Sint Aaght alle
de werve en mesthoope op te ruimen, en schoon te maaken. En onder
vuil hoorde ook, blijkens een stuk van 1798, groom van visch benevens
hair van geslagte varkens. - De Heilige Agatha - men zie voor haar
Dr. H. J. Barnhoorn M.S.F, en Joh. G. Crabbendam, Honderdjarig
bestaan parochie Sint Agatha te Zandvoort (1951) - is een der be-
roemdste Heiligen der oude Kerk. In Nederland werden er 7, in Bel-
gië 13 kerken haar toegewijd. In de omgeving van Haarlem zijn er
122
3 kerken die Sint-Aagt tot patrones hebben, hetgeen in een nog levend
volksrijm aldus wordt aangeduid:
Zandvoort, Lis en Beverwijk
Vieren Sint-Aagte tegelijk.
In het Duitse Sauerland is zij, blijkens de talloze balkopschriften der
vakwerkhuizen, de Heilige die tegen brand beschermt! Zo leest men
bijvoorbeeld op een gevel aan de Altmarkt te Arnsberg: 'Oh Agatha
durch Gottes Gnad und Hand hülff und steten Beystand, wend ab
von diesem Haus und Land alles Unglück Krieg und Brand'. Agatha,
patrones van de klokkengieters, werd bij brandgevaar aangeroepen,
omdat zij volgens de legende met haar sluier vuur en vulkanisch ge-
weld wist te bedwingen. Zij redde aldus de stad Catania bij een uit-
barsting van de Etna.
Was men schepen (= wethouder) van pasen tot pasen, de schrijver
alias boekhouwer of reder nam zijn stuurman aan van pinksteren tot
pinksteren. Aldus een regeling uit 1793, toen er 14 schuiten in de vaart
waren. De stuurman van zijn kant zal zijn volk moeten aannemen (en
wel in eigen persoon) voor een geheel jaar, welke aanneming niet mag
geschieden vóór Sint-Maarten in november noch na december van
ieder jaar. - Ook het ieken van manden geschiedde met pinksteren,
en wel met pinksterdrie.
Pinksteren was ook op Zandvoort het hoogtij van het jaar. Er was dan
kermis en een vast onderdeel vormde Gort mit stroop, dè Zandvoortse
volksdans:
Gort mit stroop,
Is dat gien lekker ete?
Gort mit stroop,
Is dat gien lekker doop?
Denk je dat ik sikker ben?
Sikker ben ik niet.
Voor mekaar en door mekaar. . .
Er werd ons van deze dans een enigszins verwarde beschrijving gege-
ven. Daarom verwijzen wij liever naar een verwante versie uit de
Zaanstreek, te vinden in Nederlandse Volksdansen door Anna Sanson-
Catz en A. de Koe (als nr. 1 ook in Henk van der Wateren Ken uw
sport, Volksdansen, 1959). Het staat nu ook, heel leuk, op een plaatje
met Nederlandse volksdansen, uitgebracht door muziekhandel Roos,
Stationsweg, Hilversum.
Leeft Gort-mit-stroop nog ietwat voort als het tweede herkennings-
thema van de oud-Zandvoortse dansgroep, helemaal teloorgegaan lijkt
de herinnering aan het pinksterlijk schuttersfeest te Zandvoort. In zijn
123
Haarlemmer Duinzang uit 1728 weet G. Tijsens er nog heel wat van
te vertellen, 't Lugtig Zédorp alias 't Need'rig santvoort, aan den
ruimen waterkant gaat zich alsdan vermaken in een welaangenaame
duinherberg, een pendant van de eveneens met een schone gravure be-
deelde Potje sherberg.
Maar Paters Herberg schynt my naar zig toe te trekken,
Om daar een weinig rust te vinden, en de borst
Te laven met een dronk, eer my de schorre dorst
In 't droog en zandig duin komt onverwagt bespringen.
My dunkt ik hoor van ver de frissche landjeugd zingen,
Die by de uitspanning hier een zoete blijdschap vind,
Aan deze rustplaats; die het land tot vreugd verbind,
Door 't stille Landvermaak der heuvelen en dalen.
Het lust my hier 't vermaak der dorplien op te halen,
Wanneer de hoge spits een houten Vogel draagt,
Die om zijn aardigheid en kleur aan 't oog behaagd,
Maar dien elk tragt met pyl en kogel af te ligten,
Dan yverd men om, voor zijn nabuur niet te zwigten,
Maar d' Eerprijs van dit spel te winnen, en vernoegd
Den naam van Koning, die daar vaak wordt bygevoegd,
Tot op het volgend Jaar, by 't nedrig kleed, te dragen.
Hoe woeld en krield het hier; elk wil het uiterst wagen.
Deez' treft den Vogel, dat zijn kop stuift in de lugt;
Die maakt hem vleugelloos; terwijl 't verward gerugt
Van schieten en geschreeuw de onkundigen doet vreezen,
Niet wetende van ver wat hier te doen mag wezen.
Totdat men eindelyk den Vogel nederveld,
En d'Eerprijs in de magt des overwinnaars steld...
Met ingenomenheid citeert Le Franq van Berkhey in zijn Natuurlijke
Historie van Holland deze alexandrijnse regelen en hij laat uitkomen,
dat het gebruik in zijn tijd nog in zwang was. In een zestiende-eeuws
stuk vond ik nog den Doelen toebehorende de schuttere groot ontrent
2 hout en geeft jaerlicx te huijr 30 st. En dat is alles wat Zandvoort
van de oude schutterij nog rest. Het ware te wensen, dat ook dit kleu-
rig en zo manhaftig volksgebruik te Zandvoort op enigerlei wijze tot
herleving komt, evenals het boven besproken Sintmaartenfeest. Want
wat is er schoner dan de spier die zich spant om met de edele kruis-
boog de houten vogel te bejagen, die daar hoog zich verheft in de tin-
telende voorjaarslucht? Het is toch wel een mooier volksgebruik dan
het knikkeren-om-centen door bejaarde mannen, door Sloet in 1857
vermeld, welk knikkeren-van-volwassenen nu nog voorkomt in
Schermerhorn (blijkens een recente foto van wijlen de heer S. J.
Bouma).
124
Van de wieg tot het graf
Hebben wij in het vorig hoofdstuk de feesten van de jaarkring beke-
ken, thans is het menselijk leven van de wieg tot het graf aan de orde.
Waar de kindertjes vroeger in Zandvoort vandaan kwamen? Van de
vuurtoren alias vierboet, waarvan de krabbel door Cl. J. Visscher (on-
geveer 1650-1712 Amsterdam) de eerste uitgave van ons boek siert
(Vier baken tot Santvoort). De ouwe Ael vertelt hoe ze als klein meisje
uren, met haar oor, tegen de toren placht te leunen... om de kleine
kinderen te horen piepen. Want me Moeder zee altaid: Daer komme
de klaine kindere oit! Bij de geboorte werd op beschuit met muisjes
en op krentebrood getrakteerd.
Trouwen rijmde ook in Zandvoort op kermis-houwen. Het meest
merkwaardig in deze gewichtige levensfaze lijkt de Koppiesdag, het
onderonsje der vrouwen tijdens de ondertrouw. Daar kwam, behalve
de harmonikaspeler, geen man bij te pas. Er werden beddeplanken
over de stoelen gelegd, de harmonikavirtuoos troonde hoog op een
stoel bovenop de tafel, en dan maar zingen en pret maken - de wijf-
jes onder mekander. 'Van trouwe esproke: we hadde gien ontvangdag,
maer 'n koppiesdag. Dat was allieneg voor de waive, daer moste de
manne boiten blaive'.
Een merkwaardig parallel van dit vrouwenfeest — een afscheidsrite —
vond men destijds te Hillegom. In zijn Batavia Illustrata verhaalt
Hadrianus Junius, dat de Weligenberg ten noorden van dit dorp in
zijn tijd (zestiende eeuw) nog vermaard was door een gewoonte die
uit de nacht der tijden dagtekent. Hij vertelt, dat de pas-getrouwde
vrouwen uit de omtrek daags na haar trouwdag op wagens daarheen
reden met hun vriendinnen en vroegere speelgenoten om hen te dan-
ken voor de ondervonden vriendschap en om afscheid te nemen van de
jeugd. Aldus leest men in J. B. van Loenen, Beschrijving en kleine kro-
niek van de gemeente Hillegom (19 16).
Ter gelegenheid van de bruiloft werden en worden zakjes met bruid-
suikers rondgebracht. Jan Snijer, in zijn levensverhaal, heeft het daar
ook over: 'Wij gingen na de stad om zakjes met zuiker te kopen; en
rondbrengen, eerst na den Burgemeester...' Ook op de zwierige stoep
van het fraaie oud-Hollandse raadhuis (191 1) wordt ijverig gestrooid
door bruid en bruidegom. 'Ze gooien bekant de ramen van het nabij-
gelegen postkantoor stuk, als ze de kans krijgen'.
'Hij leefde, nam een vrouw en stierf'. Aldus zou het grafschrift kun-
nen luiden, dat miljoenen medemensen typeert. En dan valt volle na-
druk op het laatste, het sterven. Op Zandvoortse begrafenissen in de
oude stijl wordt de baar van volwassen doden op de schouders, die
van jonge mensen onder de armen gedragen. En in 1859 weet Sloet nog
te melden:
Bij eene begrafenis bespeurt men nog niet gaarne een oneven getal
vrouwen, omdat men hieruit spoedig een nieuwen doode te gemoet ziet.
125
Ziehier dan enkele grepen uit 's mensen levensloop in het oude Zand-
voort, waarbij alleen het min-of-meer bijzondere enige aandacht heeft
gekregen. Om nu het meest eigenaardige nog wat beter te laten uit-
komen, mag ingelast worden het tafereel Koppiesdag, een van de
vaardigste pennevruchten van de aktieve mejuffrouw E. Bakels. Me-
juffrouw Bakels, van de fotozaak in de Kerkstraat, werd nu 82 jaar
geleden op Zandvoort geboren. Haar vader, Anthonie Bakels, kwam
van Amsterdam; haar moeder van Purmerend. Maar er is geen oud-
Zandvoorter die haar overtreft in welbewuste kennis van het oud-
Zandvoorter volksleven en zo is zij op deze merkwaardige domeinen
voor ons een veilige en betrouwbare gids. Het hier gegeven stuk doet
denken aan zo menig oud-Hollands tafereel in de bloemlezing Het
Nederlandsche kluchtspel van Dr. J. van Vloten, die drie kostelijke
delen. Terwille van de leesbaarheid lieten wij de taal van mejuffrouw
Bakels zoals wij die aantreffen: algemeen-Nederlands, waar het Zand-
voortse taaieigen op een charmante wijze telkens doorheen schemert.
KOPPIESDAG
Toneel visserswoning. Op tafel vaas met papieren bloemen, blad met
koffie, servies, koektrommel. -
Bet loopt bedrijvig rond, stoft de kopjes af. Marijtje, de Bruid, roept
uit het achterhuis.
Marijtje: Moeder, wil je mijn kap opzetten?
Bet: Kan je dat nou nog niet zelf. Als je volgende week ge-
trouwd bent, moet je het ook zelf doen.
Marijtje: Nou, dat zal ik nog wel zien. Ik kom niet ver van je af te
wonen, dan kom ik wel in mijn ondermuts.
Bet: Ja, ik begrijp wel dat je hem liever af zou zetten en een
hoed met blommen op je kop. Toen je van de zomer in het
badhuis diende, hebben die meiden uit de stad je zeker zo
mal gemaakt; maar zolang ik leef, blijf je de kap ophou-
den.
Marijtje: Ja hoor, wees maar niet bang; Wullem zou mij ook niet
anders willen zien.
Bet zet de kap op.
Marijtje: Als je m'n haar maar niet zo strak trekt, dat vindt Wul-
lem ook niet mooi.
Bet: Wullem kan me nog meer vertellen. Kind, waarom ik er zo
op gesteld ben dat je de kap blijft dragen? Toen je ge-
boren werd was je vader op zee. Toen hij thuis kwam was
hij zo blij, dat hij een dochtertje gekregen had. Hij stond
voor je wieg en zei: Vader legt iedere week twee stuivers
weg; als je dan aangenomen wordt krijg je van mij een
schoermantel, een kap en een ijzer en een mooie zwarte
jurk. Dat heeft helaas niet zo mogen wezen. Toen je twaalf
126
jaar was, is je vader niet meer van zee teruggekomen. Het
had die nacht heel erg gestormd en tante Maartje en ik
waren al een paar maal naar de Worf geweest om te kijken
of de schuiten al in zicht waren, maar er was niets te zien.
De zee stond hol. Toen wij 's middags weer gingen, ja, in
de verte was er iets te zien. En toen zij dichterbij kwamen
zag ik dat het onze schuiten waren. Ik zei: dat lijkt Aries
boot, maar die is halfstok, dat raakt vast mij. Toen hebben
zij mij naar huis gebracht en 's middags kwam de Reder
zeggen dat je vader over boord geslagen was. Dat, kind,
was een zware slag. Ik heb door hard werken 's zomers in
het Badhuis, 's winters met vis, je vaders wens nog kunnen
vervullen. Alles wat hij je toegedacht heeft is er gekomen.
Kijk, deze tabaksdoos is van je vader en die krijgt Wullem.
Ik heb er zelfs nog iets in over kunnen sparen; dat is als
Wullem niet op tijd binnenloopt, want, kind, denk er om:
het leven van een vissersvrouw is dikwijls heel moeilijk!
Maar ontvang daarom je man altijd met een vriendelijk
gezicht. Zo kind, nu kop hoog. Vandaag is het feest, het
is koppiesdag.
Willem komt binnen.
Marijtje: Ha, daar is Wullem nog vóór de wijven komen.
Bet: Als je maar weet dat hij er aas uit mot.
Willem: Kan ik er niet bij blijven?
Bet: Nee, om de donder niet, daar horen geen venters bij. En
daarbij, ze zouden je naakt uitkleden.
Willem: Nou dan ben ik al weg, ik voel mij bij al die wijven toch
niet op mijn gemak.
Maartje: komt op, ziet Willem staan:
Zo, ben ik de eerste? Zo. Wullem, ben jij er nog? Pas op
jongen, als Aaltje tegen je lijf loopt, gaat je hemdje uit.
Willem: Mij niet gezien.
Maartje: Nou Marijtje, wel gefeliciteerd. Hier is een cadeautje, je
mag het ook verruilen. Ik heb het bij Kees de Laars ge-
kocht.
Marijtje: Nou moeder, kijk er is: twee hondjes, een reu en een teef.
Als ik 2$ jaar getrouwd ben, heb ik een kast voor hondjes.
Bet: Even goed had je nog niets op je kastje. Welbedankt hoor.
Maartje: De harmonikaspeler komt toch zeker ook?
Bet: Natuurlijk, maar hij moest eerst garnaal kruien.
Maartje: Jee Marijtje, wat zeg je weinig, dat ben ik van jou niet ge-
wend. Je ziet toch niet tegen het trouwen op?
Marijtje: Hierzo, nee hoor, ik krijg een echte jongen. Jammer dat hij
zo gauw naar zee moet.
Bet: Ja meid, dat heb je als je een visserman trouwt. Het is
lachen en huilen. Aal komt binnen.
127
Aal: Zo welgefeliciteerd, hier heb je een cadeau. En ik hoop
dat je het veel nodig zal hebben, anders deugt er wat niet.
Marijtje: Is ie fijn, het is toch zeker een tweepersoons?
Aal: Je kan hem als het mot voor je hele familie gebruiken. Ik
ben effen naar de Worf geweest. Zij gingen steken (boot
in zee brengen.) Maar het duurde zo lang, de Steek was
veel te laat met zijn paarden.
Bet: Nou, daar hebben wij Jans ook.
Jans: Wel, geluk gewenst, Marijtje! En jij ook, Bet! Hierzo,
meid, het is maar een kleinigheid, het is niet veel, maar het
zat er niet aan. Arie had een slechte reis.
Maartje: Wat zeg je, had Arie geen goeie reis?
Jans: Nee, ze hebben zatter netten verspeuld, het was ook bar
weer.
Engeltje komt binnen.
Engeltje: Zo, buurtjes, ik zie ik ben nog niet de laatste. Nou Marijtje,
kind, je weet wat ik zeggen wil. Ik hoop dat je erg geluk-
kig zal worden, en dat er een kwak kinderen magge
komen.
Marijtje: Ja zeker net zo veul als bij jou, effe wachten.
Heintje, de redersvrouw, komt binnen.
Heintje: Nou kind, mijn gelukwens. Hier heb je iets waar je zelf
maar iets van moet kopen. En voor je moeder een pot
boerenjongens, die zeker vandaag te pas komt.
Bet: Wel bedankt, juffrouw. En Marijtje komt u deze zomer
weer helpen.
Stijn komt op.
Bet: Wat ben je laat, Stijn !
Stijn: Bet, hou op, ik heb mij zo druk gemaakt. Japie was van-
middag naar de Worf gegaan om te speulen. Laat-ie nou
zijn holleblok stikkend esloegen hebben en er een boot van
gemaakt hebben. Toen heb-ie van Kees de Bode teer ge-
kregen, en nou zit zijn nieuwe boezeetje vol. Die kerels
hebben er natuurlijk schik in.
Bet: Ja, Stijn, daar zit de visserman al in. Dat sla je er niet uit,
want dat is er in geteeld.
Stijn: Je hebt goed praten, maar alles is even duur. En m'n man
heeft dit jaar veel averij gehad.
Bet: Nou meid, gauw een koppie en dan is alles weer voor
mekaar.
Stijn: Och Marijtje, nou zou ik je haast vergeten te feliciteren.
Kind, hier heb je dan nog wat uit je familie, het was van
je grootje. Lees hier dikwijls es in als je man op zee is.
Dan wordt in de grootste tegenspoed alles dragelijk. Zie
je wel, dat ik de leste niet ben? Daar komt tante Guurt ook.
Guurt: Wat docht je, daar zal ik niet bij wezen? En in de buurt
128
staan der nog een paar te klessen, die komen ook. En,
bruid, kijk er is wat ik meegebracht heb! Dat is iets wat
zeker bij ons Zandvoorters hoort. Een lekker duinaard-
appeltje! Ik heb nog een half mudje voor je staan, dat laat
ik de jongens wel brengen.
De deur van het achterhuis gaat open en dan komen Pietje,
Leen en Kee binen.
Pietje: Hier, Marijtje, is iets waar je zeker je kerel mee uit de
herreberg kan houden. Zorg altijd dat je koffieketel op je
liggie staat.
Marijtje laat deze Bet zien.
Marijtje: Kijk er ris, moeder, daar kan een hele ketel in.
Bet : Als er geen blommen op stonden en er geen schutteltje on-
der zat, zou ik zeggen: het is al een potje voor men klein-
kind!
Leen: Nou, ik had gedacht je dit blompotje te geven, dat zal
wel aardig voor je venster staan.
Kee: En ik zou zo zeggen: an de bruidegom mot je ook denken.
Hier is voor hem een tabakspot, die is nog uit de Franse
tijd.
Leen: Zeker van een gestrand schip, dat zal beter uitkomen.
Kee: Jij durft veel te zeggen, ik zou jouw spin (= spijskast) wel
er is na willen kijken.
Bet : Zo, alles voltallig. Nou gauw een bakkie en niet bekvech-
ten. En, Arie, jij een moppie speulen. De kou zal er nou
wel bij je uit zijn.
Ze drinken allen koffie en kunnen vrij spreken.
Maartje: Hebben jullie gehoord, dat er een zangvereniging opge-
richt wordt door meester Tates?
Engeltje: Daar motten wij allemaal heen. Want zingen kan een
Zandvoorter niet van buiten. Want als wij op een feest het
volkslied niet gezongen hebben, was het niet goed.
Bet: Marijtje, haal de kelkies, want koffie krijgen ze elke dag
en een slokkie mot er bij. Laten wij in die tijd het volks-
lied zingen. Nou, zet in.
Jaan staat aan de deur en luistert.
Jaan: Nou ik heb effe geluisterd, dat gong goed. Mens, wat heb
ik hard gelopen. Gelukkig dat ik los was, want met een
volle ben had ik het niet gehaald. Ik kon niet eens een
ander jak aantrekken. Ik most vanochtend wel naar de
stad, want hier kan ik de vis niet kwijt. Maar in de stad
is het ook niks, als-maar afdingen. Maar daar had ik wel
op gerekend, geloof dat maar. Maar, Marijtje kind, laat
ik je eerst even feliciteren; ik heb een mooi cadeau voor je.
Dat is je overgrootvader.
Allemaal: Marijtje, laat ons ook eens zien.
129
'Het ghaet al na 't Sandtvoordt.' Anoniem goudeneeuws schilderij, in
Oostfries bezit. (Ostfriesiscbe Landschaft, Aurich)
Jans:
Bet:
Engeltje:
Jaan:
Bet:
M aart je:
Bet:
Jaan:
Jans:
Jaan:
Jans:
Nou, maar die heb ik niet gekend.
Neen, maar de ouwere wel. Hij liep altijd met de klink. Ik
hoor hem nog roepen: Alle jee, die schol en scharren willen
kopen, komen aan zee!
Nou doet zijn zoon het. Je weet wel: de Bokkum. De vis is
anders duur. Bakschol per stuk 80 cent en f 6,00 voor een
mand.
Wat ik nou in de stad gehoord heb, motten jullie goed
luisteren. Er wordt een station voor de spoor die komt ge-
bouwd. Een pesasie, weet ik veel hoe dat heet, met wel 2 5
winkels. Dan nog een Kurhaus. Wat dat is weet ik niet
hoor. En ze zeggen dat er nog veul meer komt.
Jonge, jonge, wat zal dat worden. Als onze visserij maar
niet naar de bliksem gaat.
Ben je mal Bet. Nou, dan ga je ook maar kamers verhuren.
Ja zeker, de badgasten in de bedstee en ik met het varken
in het schuurtje.
Buurtjes, laten we nou nog er is zingen, want ik moet niet
te laat naar huis.
Je man is geeneens binnen, die vaart toch bij Siem Paap op
de Man Cornelis. Nou, die zal dit jaar 2200 gulden be-
schouwen.
Hoe weet jij dat? Nou, dat heb je zeker bij Pietje de Bode
gehoord.
Zo, dat heb je lekker mis, daar klessen ze niet.
130
Jaan: Als jij er komt zeker wel, je weet alles van de hele buurt.
Als je daar de kans toe zag, zou je mijn jongens derlui
hempie ook nog oplichten om te kijken of ze wel schoon
waren.
Jans: Zo, maar mijne kan je bekijken.
Jaan: Laat ik je geen opflikker verkopen, want dan kom je er
niet zo goed af.
Bet : Lei he, afgelopen, in de schuur heb ik twee stikkende holle-
blokken staan. Die krijgen jullie mee, dan kan je het mor-
gen bij de pomp op het plein uitvechten. Maar in mijn huis
geen brissie.
Engeltje: Nou buurtjes, het is mooi geweest. Nog effen een schossie
en dan komen we met de bruiloft berom.
Dansen, harmonikaspeler speelt een polka.
Klederdrachten
De taferelen van mejuffrouw Bakels ontleenden hun kracht aan de
kruidige taal èn aan de fraaie vertoningen waartoe zij onder haar con-
sciëntieuze inspiratie aanleiding gaven. Het belangrijkste van deze
liefdevol verzorgde vertoningen was de oud-Zandvoortse kleder-
dracht, die door dergelijke manifestaties bewaard blijft voor een me-
lancholische mottendood. Ja, men is er zelfs niet alleen op uit om te
bewaren — men zorgt tevens, als dat nodig is, voor vernieuwing en
aanvulling op een merendeels gelukkige wijze. Er zijn nu in De Wurf
(antieker zou zijn De Worf) zo'n twintigtal mensen met traditionele
kleding. Buiten de vertoningen om is de klederdracht in levend ge-
bruik nagenoeg verdwenen: een onlangs gestorven vrouw droeg nog een
korte kap, één zelfs nog iedere zondag in de kerk een lange kap (die
reeds bij aanschaffing zo'n ƒ 90,- heeft gekost).
De Zandvoortse vrouwendracht wordt op Zandvoort zelf al even-
tjes anders getaxeerd dan die van het ook op dialektgebied zo nauw-
verwante Katwijk-aan-Zee. De wieken op Katwijk (de terzijde van
het oor opgespelde uiteinden van de muts) zijn slechts een weinig
groter dan de Zandvoortse wieken, terwijl de te Katwijk gebezigde
kant over het algemeen breder zal zijn genomen. Een ander verschil
in mutsedracht is nog, dat op Zandvoort de te grote ruimte van de
mutsebol vertikaal wordt weggevouwen, terwijl dit te Katwijk hori-
zontaal geschiedt. Hierdoor verkrijgt de Zandvoortse muts van ach-
teren een vouw. Behalve dat het Katwijkse oorijzer grotere token of-
tewel boeken vertoont - met steeds réchte zijkanten, terwijl die te
Zandvoort ook gekarteld kunnen zijn - is het totale oorijzer te Zand-
voort bovendien enigszins korter van model. Heel veel Zandvoortse
oorijzers zijn er van zilver — slechts de rijken bezaten er gouden oor-
ijzers. De token evenwel, eventueel nog met fraaie hangers voorzien,
waren steevast uit louter goud vervaardigd. En bij de burgerdracht,
131
d.w.z. die met de lange kap, behoorden behalve de parelspelden ook
nog zijnaalden tot de gedragen sieraden. Een halsketting van bloed-
koraal met een gouden slot voltooide het merkwaardige geheel, waar-
voor heel wat vaardigheid nodig was wilde men alles naar den eis
om- en aandoen.
Het vrouwenondergoed op Zandvoort bestond uit twee of drie baaien
rokken en een broek met bandjes. De onderrokken waren soms van
gestreepte baai. Hierbij voegen zich dan zwarte kousen en zwarte
pantoffelschoenen. De zondagse bovenkleding vertoonde een zwarte
of gekleurde japon en een zwart zijden schort alias boezel. Bij het
oudere, geheel gekleurde kostuum kan, evenals in Noordwijk en Sche-
veningen, ook een gekleurd schort van weerschijn-zijden stof zijn ge-
dragen, een mode van omstreeks 1850.
De alledaagse vrouwendracht bestond uit een gekleurd jak en een
zwarte rok die vroeger bijvoorbeeld ook rood en lila en donkerblauw
kon zijn. De onderrok was hetzij gestreept hetzij effen-met-een-rand.
Over de rok kwam dan weer een zwartbaaien boezel met een bont
bovenstuk. De vislopers droegen iets dergelijks — deze harde en toch zo
levenslustige zwoegsters die door middel van een lange rugmand alias
^ot-met-draagriemen (waarop zich weer de platte zijger bevond) en
met nog een kengselmandje aan de arm langs het mulle Vis(sers)pad
hun zilverig zeebanket naar het kiese Haarlem moesten zeulen. Ge-
beurde de tocht door het moeilijke duinlandschap barrevoets, even
voor het deftige Overveen werden de zwarte kousen en de zwarte
schoenen weer aangetrokken. Deze plechtigheid had plaats bij de zo-
genaamde kousenpaal, waaraan de visloper zich vasthield om weer op
haar benen te komen. Aldus vertelde, kort voor haar overlijden, de
89-jarige Maartje van der Veld-Schuiten, zelf een oud-visloper, aan
de gemeente-ambtenaar De Heer die doende was met de samenstel-
ling van een gemeentelijk fotoarchief. Het komt ons voor dat de
meeste vislopers in Zandvoort op blote voeten zijn begonnen - al is
er ook daar een kousenpaal geweest, volgens sommigen.
Maartje beschrijft ons ook nog haarfijn allerlei details van de kleding
der vislopers. Op een kapje zonder ijzer troonde de visloper shoed, een
hoedje van stro en met katoen gevoerd, aflopend in de nek en aan de
voorkant met een opgeslagen rand. Zwarte banden liepen gekruist
over de hoed en werden onder de kin vastgemaakt. Over de baaien
onderrok werd in haar tijd een zwarte rok gedragen en daar weer over
een zwartbaaien boezel met een bont bovenstuk. Over deze boezel
kwam dan weer een lang bont jak, waarover een wollen doek. Daar-
over plooide men dan een zijden dasje. Over de schouders werd een
schap van leder gedragen, ter bescherming tegen het water dat van de
vis droop. Op zeventiende- en achttiende-eeuwse afbeeldingen dragen
de Zandvoortse vislopers ook wel hun ben op het hoofd.
Was de laatste faze ook van deze Zandvoortse klederdracht geken-
merkt door de gebruikelijke verdonkering, vroeger overheerste - wan-
132
Visloper. Eind-achttiende-eeuwse tekening. (Gemeentearchief
Haarlem)
neer men tenminste niet in de rouw was — een prettige verscheiden-
heid van aansprekende kleuren. Bij tante Jans de Kraai en mejuffrouw
E. Bakels bevinden zich nog achttiende-eeuwse schootjakken, licht-
gebloemd. Het Zandvoortse vrouwenkostuum, aanwezig op het Open-
luchtmuseum te Arnhem, fuift ons al evenzeer op een blijer kleuren-
gamma, al is het gelukkig niet zo bont als de niet geheel betrouwbare
kostuumweergave op de klederdrachtenplaat van Dr. H. Blink, Ons
heerlijk vaderland, het hart van Nederland, die op gebrekkige wijze
gevolgd werd naar de verloren gegane verzameling van H.M. Konin-
133
gin Wilhelmina (1898). Het kostuum in Arnhem bestaat uit een geel
gebloemd jak met een zwarte rok, een boezel met een bont boven-
stukje, een grauwige omslagdoek met franje, een vislopershoed en een
zwarte scboermantel (de schoudermantels waren vroeger ook ge-
bloemd).
Het oud-Zandvoortse mannenkostuum — dat in zijn daagse vorm
draagbaar lijkt ook in een tijd van spijkerbroeken - verdient al even-
zeer een bespreking als het fraaie en in veel opzichten verfijnde vrou-
wenkostuum. Als vlot en praktisch werkpak is de Zandvoortse boezee
ook in verwante Noordzeedorpen als Katwijk aan te treffen (dan on-
der de uit kazak verbasterde benaming keesjak) en hij reikt stellig nog
verder terug dan de zeventiende eeuw - aldus een Skandinavische on-
derzoeker die ons Openluchtmuseum met een bezoek heeft vereerd.
Het mannenkostuum bestaat - behalve uit een broek die vroeger on-
getwijfeld van het Marker model is geweest en ver boven de klompen
ophield - uit een roodbaaien hemd, waaroverheen de (bruin)zwarte
boezee komt met zijn iets meer dan halve mouwen, zijn open hals en
zijn van achteren even opstaande kraag. Alleen bij de hals en bij de
onderarmen vertoont zich bij wijze van geestdriftig kontrasteffekt het
felrode baai — niet, wat nog pikanter lijkt, rondom het middel (zoals
op Marken). Dit laatste dient uitdrukkelijk vermeld te worden, aan-
gezien het Openluchtmuseum te Arnhem jammergenoeg een veel te
kort exemplaar heeft verworven, dat aanleiding tot misverstand zou
kunnen worden. Het feestelijke woord boezee is ontegenzeggelijk een
ferme en lekkere achterneef van het meer bekende boezeroen, hoezeer
deze woorden ook een uiteenlopende betekenis hebben. Het hangt
samen met het Waalse bourge = grove linnen of wollen stof, waarvan
men onder meer bourgeron = arbeidersbuis en ons boezee heeft afge-
leid. Engel Paap, de welgezinde harmonikaspeler, draagt dit vrolijk
zwartrood bij zijn harmonikaspelen 's zomers langs de Boulevard, en
ook de mannelijke leden van de nieuw-oude dansgroep zijn erin uitge-
dost. Men zie nog de gezellige en welbekende prentbriefkaart van de
waker Molenaar anders gezeid de Puur, vader van de Bokkum, de la-
tere omroeper. (September 1955 is, bij het met congé gaan van Klaas
Zwemmer - die de funktie dertig jaar had uitgeoefend — het omroeper-
schap officieel afgeschaft op Zandvoort.) Op het gemeente-archief te
Haarlem ziet men twee klederdrachtentekeningetjes uit het einde van
de achttiende eeuw: een vrouw en een mannelijke visloper (rode uit-
hollende overbroek tot de knie).
Is de visser (van maandag tot vrijdag) ter zee, dan draagt hij een leren
broek (hozen) en leren mouwen en een leren hoed (zuidwester). En de
ton (broodstolp) die hij met zich voert, bevat zijn viktaelie bij de vis-
vangst. Aldus leest men in Nederlandsche kleederdragten, naar de na-
tuur getekend door Valentijn Bing en Braet von Ueberfeldt (Amster-
dam, 1857), dat prachtige afbeeldingen bevat. Een ander hoofddeksel
is de krol, wollen muts met bontrand.
134
De zondagsdracht der mannen is niet zo aantrekkelijk: een zwart-
lakens pak met visser shoed. Deze vissershoed leek op de zeeuwse hoed,
maar was minder langwerpig - hij had meer van de engelse bolhoed
of/en de romeinse hoed van zekere roomse geestelijken. Verder waren
er oorringen, singenetten aan de horlogeketting en zo-nu-en-dan ook
wel zilveren keelknopen.
Aldus, in het kort, een beschrijving van de oud-Zandvoortse kleder-
dracht. Een schamele beschrijving waarin het merg en de pit ten dele
afkomstig zijn van de heer Duyvetter, de klederdrachtenexpert van
het Openluchtmuseum te Arnhem. Op één trouwe kappendraagster
na - boven de tachtig jaar oud! - was in 1960 de klederdrachten-
glorie lang-en-breed voorbij. Wat een verschil met het jaar 1908, toen
Dr. Blink in zijn bovenvermeld werk konstateerde: 'De bevolking
heeft haar nationale visscherskleeding nog trouw bewaard' (blz. 246).
En gelukkig is ook voorbij de in Zandvoort gesignaleerde modegril
waarvan Th. Molkenboer in zijn De Nederlandscbe nationale kleder-
drachten, Amsterdam 1917, blz. 115, vertelt: kokette badgasten die
een soort gemoderniseerde Hollandse hul gaan dragen, nu ze door de
eigenlijke visschersbevolking afgeschaft schijnt. (Volgens een lan-
taarnplaatje in het archief van de familie Bakels kostte zo'n Zand-
voortse muts even vóór 1914:/ 125 ,-) Wij willen hopen, dat De Wurf
tot in lengte-van-dagen de traditionele kleding zal behoeden. Wie
weet, of zij - enigszins aangepast en vereenvoudigd - in tijden van
groeiende welvaart en onontbeerlijke vrijetijdsgenoegens nieuwe kan-
sen krijgt als echt-Zandvoortse gelegenheidsdracht! Maar dan dient
men te zorgen voor degelijke stoffen en stijlvolle versieringen, en dan
moet men niet bij-hoog-en-bij-laag vast willen houden aan een zwierig
figarokapsel, te enen male indruisend tegen de muts-en-ijzerdracht
met zijn gladde als gebeeldhouwde haarrollen en -kuiven of zijn als
geschilderde, met alle mogelijke hulpmiddelen platgelegde haargor-
dijntjes.
DR. TJ. W. R. DE HAAN
1 Prof. Dr. B. van den Berg: 'dü blenk', de blinkerd, naam voor onbegroeide
duintoppen, die vroeger als bakens dienden voor de thuisvarende vissers, toen er
nog geen vuurtorens waren; ze droegen verschillende namen, als de Egmonder
blenk, Wijker blenk, Tonnüblenk (Het dialect van Zandvoort, blz. j).
2 Van deze walvis, gevonden op 4 januari 1629, bleef een afbeelding (met versje)
door P. de Molijn bewaard. Men zie nog de Atlas van Stolk (Rotterdam), nr. 900,
1673, 4104 t.e.m. 4108, nr. 5061, de verzameling Bodel-Nijenhuis (U.B. Leiden),
nrs. 336/104 en 336/105. Verder: H. Soeteboom, Oud-heden van Zaenland, Amster-
dam 1702, blz. 122, F. Allan, Bad Zandvoort, Haarlem, blz. 29 en 38 en Dr. E.
Laurillard, Op uw' stoel door uw Land, Amsterdam 1891, op Zandvoort. Geen
wonder dat een barokke prent (zónder walvis!) van het Vuurbaken te Zandvoort
(C. Decker - ± 1650-1685 - fecit) tot onderschrift heeft: 'Looft den Heere, van
der Aerde; gij walvisschen ende alle afgronden (Psalm 148) 1 . Ook op het Haar-
lemse gemeentearchief bevindt zich een groot aantal afbeeldingen van walvissen en
soortgelijke zeedieren, bij Zandvoort aangespoeld.
r 35
Van Jozef Israëls en andere schilders
De romantiek, in de tweede helft van de achttiende eeuw, ervoer tot
in het diepst van haar gevoelige ziel de eeuwigheid suggererende
grootsheid van zee, heide, woud en hooggebergte. Voordien zag men
wel de zee als de waardige draagster van handelsschepen en oorlogs-
vloten; nu echter krijgt zij, ten hoogste van een nietig visserspinkje
voorzien, een het gemoed ontroerende symboolwaarde, wordt zij une
paysage d'dme. Het is een dichter uit Zwolle, Rhijnvis Feith, die het
eerst en het teerst bij ons een uitingsvorm vindt voor dit moderne na-
tuurgevoel. En wat de artistieke elite voordoet, wordt na verloop van
tijd door duizenden gretig gevolgd — tot in aan de lopende band ver-
vaardigde dressoirstukken toe ('De grote stille heide'). Symptomatisch
ook is het verlaten der buitenplaatsen aan de Vecht en de Amstel
(met hun opwekkend watergezicht zo geliefd in de gouden en de ver-
gulde eeuw), en de opkomst van nieuwe villadorpen in het Gooi en
de Stichtse Lustwarande tussen De Bilt en Rhenen.
De romantiek bracht niet alleen de bezielde natuurvisie, ook het een-
voudige volk - naar men meende nog 'onbedorven' door allerlei civi-
lisatie - werd in het middelpunt van veler aandacht geplaatst. Mede
vandaar de volkskunde, die uit een romantisch heimwee naar het na-
tuurlijke en rustig-traditionele leven van boeren en vissers is ontstaan.
Ook een vissersdorp als Zandvoort gaat men in de loop der negen-
tiende eeuw bekijken met andere ogen, met een ander hart. Een van
de vroegsten hiermee is de Haarlemmer Jan van Walré met zijn Zand-
voorter Visscberslied uit 1826. Ongeveer gelijktijdig maakte W. Hen-
driks zijn gewassen tekening van Malle Kee, Zandvoortsche visch-
vrouw (gemeentearchief te Haarlem). En nog even eerder is er het
Zandvoortse huisje met erf, geaquarelleerd door J. Jelgerhuis, reeds
in 18 12. Dan komt Nicolaas Beets (18 14-1903), eveneens een geheide
Haarlemmer, die het als schepper van volksliedjes verre wint van de
stroef-moeizame en kwazi-zeventiend'-eeuwse Everardus Johannes
Potgieter. Terecht vindt men nog altijd in veel bloemlezingen zijn
Roodkapjes Thuiskomst (1839), dat men zonder twijfel te Zandvoort
situeren mag (Enkhuizer Almanak [tot Nut van 't Algemeen], jrg.
1841):
1
Vissers Jaap rustte op de kruin
Van een duin,
136
Op zijn ellebogen,
En hij sloeg zijn ogen op
Naar het sop,
Grote, vrolijke ogen.
Helder zag hij 't zonlicht blinken,
Helder over zee en zand,
Helder op twee kleine pinken,
Die het hielden naar het strand.
Vissers Jaap dacht blijde: 'Daar
Keert mijn vaar
Huiswaarts op Roodkapje,
't Westenwindje wakkert aan;
Dat zal gaan,
Altijd vlak voor 't lapje!
t' Avond zal men afslag houen,
t' Avond zal er drukte zijn,
Zal ik vader helpen sjouwen,
En naar stad bij maneschijn!'
3
Moeder Jobje zat in huis
't Blauwe buis
Van haar Jaap te lappen;
Maar haar voet bleef evenwel
Op de rel
Van een wiegje trappen.
Dapper weerden zich de longen,
Boven moeders deunt jen uit,
Van haar dikke zesde jongen,
Van haar tiende huwlijksspruit.
4
"k Hoor Roodkapjen is in 't zicht!. . .
(Stil toch, wicht!)...
't Heb het al begrepen;
Dat 's vanavond nog op 't pad,
Om in stad
Met de ben te slepen;
Luid te schreeuwen langs de straten,
Mooie vis tot lage prijs
Aan de lui te moeten laten;
Waarom komt hij niet bijtijds?
137
s
'Morgenochtend niet te kerk,
Maar aan 't werk
Op de dag des Heren;
Hier een knoop af, daar een scheur,
De elboog deur
Van je vaders kleren!
Dan, mooi af van drukte en leven,
Naar de middagpreek als 't kan.
Kleine Krelis, wacht reis even,
Wieg jij ook reis, als een man!
6
'Maandag vaart de jongen mee,
Dat 's er twee
Op de zoute baren;
Dat 's weer een gebed te meer
Tot de Heer,
Die hen kan bewaren.
'k Ben mijn Sijmen niet vergeten,
Hoe zijn lijk op 't barre strand,
Met de vloed, werd neergesmeten...'
En een traan beefde op haar hand.
7
Nog lag Japik op de kruin
Van het duin,
Op zijn ellebogen,
En nog hield hij de ogen op
't Ruime sop,
Grote, vrolijke ogen.
'Nou, Roodkapje mag wel blij zijn'
- Dacht hij, - 'en de hele zee!
Japik zal er maandag bij zijn,
Japik vaart 'n maandag mee!'
Ging het dichterwoord ook deze keer vóór (reeds in 1828 riep Van
Oosterwijk Bruijn naar Zandvoort de schilder die gemak bemint, maar
ook Natuurtooneelen), de schilderkunst liet zich weldra niet onbe-
tuigd terzake van de stemmige uitbeelding van zee en vissersleven.
Wanneer wij in dit verband slechts terloops noemen een enkel werk
van de Ruysdaels en de (in de meeste gevallen) toch wel Zandvoortse
vissers jongens en -meisjes van de avant-gardist Frans Hals (men ge-
niete o.a. zijn Vissersjongen genaamd De Strandloper in het Antwerps
museum), dan is het te Zandvoort zelf Jozef Israëls (1824-1911) ge-
weest, die met een nieuw oog heel dit zwoegend vissersgedoe heeft
138
Jozef Israëls, door zijn zoon Isaac Israëls, potloodtekening. (Haags
Gemeentemuseum)
doorschouwd. Levenslang bewaarde Israëls op zijn atelier een uit
Zandvoort meegebracht koffiemolentje, waarvan hij placht te zeggen
dat men het maar behoefde na te schilderen om een mooi en intiem
schilderij te verkrijgen. Aldus Jan Veth in de prachteditie Jozef Is-
raëls en zijn kunst, Arnhem en Nijmegen 1904, blz. 12.
Dr. H. E. van Gelder, in zijn Israëls-biografie, vertelt hoe de te Gro-
ningen uit Joodse ouders geboren Jozef Israëls langzamerhand afke-
rig was geworden van de in de romantiek gebruikelijke historie-schil-
139
dering. Een dergelijke schildering, dikwijls theatraal, bracht hem in
de kunst geen stap verder, daar hetgeen men maakte niet naar de na-
tuur is nagevoeld. Derhalve toog Israëls naar Zandvoort (dat zijn
Damascus is geworden!) om er zijn eigen mensen te zoeken, om er de
sobere interieurs en de grauwe grootse zee in zich op te nemen. In een
brief zegt hij ervan: 'Ik kan misschien een beetje koude hebben gevat
en daarvoor op raad van mijn ouderen broer die dokter was de zee-
lucht gezocht hebben; de eigenlijke reden, waarom ik naar Zandvoort
ging, was de volgende: een mijner vrienden (J. G. Schwartze, 1804—
1874) had mij herhaaldelijk verteld van den Dusseldorfer schilder
Richter [bedoeld is de Duitser-Canadees Henry Ritter, 18 16-1853]
die zoveel mooie dingen in Hollandse dorpen gemaakt had'. Volgens
Knuttel nu heeft de weg van Ritter - die zijn te Dusseldorp in-de-
mode geraakte Hollanderei in hoofdzaak aan de geschilderde vissers-
anekdoten van Rudolf Jordan (18 19-1887) te danken had — ook
naar Zandvoort geleid en is Jozef Israëls hem naar dit vredig en
stijlvol dorp gevolgd. Maar ook andere invloeden zullen bewust en
meer nog onbewust op de meester ingewerkt hebben. Men zie hier-
voor wat J. Knoef over de 'geniale genreschilder' P. M. Molijn (ge-
storven in 1849) als mogelijke voorloper mededeelt in zijn Van ro-
mantiek tot realisme, 's-Gravenhage 1947, blz. 117.
Israëls had reeds eerder mensen-uit-het-volk voorgesteld (het verloren
gegane schilderij De kleine visser, 1849; Schuitenlossende schippers,
een tekening uit 185 1). Maar hij besefte, dat hij tussen die mensen
moest leven, wilde hij hen naar de natuur in zijn werk tot leven bren-
gen. Het zevenweeks verblijf te Zandvoort is dan ook niet als de vol-
strekte ommekeer aan te merken, het bracht hem slechts - en dat is
van ongemeen belang geweest! - de levensware motieven die hij
broodnodig had op grond van zijn reeks vantevoren ingrijpend ge-
wijzigd kunstinzicht. En wie heeft deze ontdekkers-vreugd rondom
Zandvoort mooier doen uitkomen dan prof. C. L. Dake in zijn Jozef
Israëls, Berlin (1910), blz. 21! De kollega-schilder Max Liebermann
karakteriseerde het werk van Jozef Israëls als 'een kleur geworden
gedicht; een ongekunsteld volkslied, onschuldig, in bijbelse zin een-
voudig (einfaltig); alles gevoel, gewaarwording en nog eens gevoel.'
Israëls trok in, anno 1855, bij de scheepstimmerman Jaep van Duiven-
boden. Hij schetste naar hartelust en las ondertussen Die Leiden des
jungen Werthers van Goethe. Later verbleef hij nog bij de weduwe
Zwemmer, in haar mooie witte boerderij.
En zozeer sprak de trouwhartige sfeer hem aan, dat zijn schetsboek
(destijds bij Jan Veth en diens dochter, thans in bruikleen in het Rijks-
prentenkabinet) een overvloedig inspiratiemateriaal ging bevatten.
Tal van motieven staan erin, die nog in later jaren - ook als hij in
1856 te Katwijk en in 1871 te Scheveningen is gaan werken — tot
grondslag voor een schilderstuk hebben gediend. Een tweede schets-
boek bevindt zich in het Gemeentemuseum te Den Haag. Ook op
140
1-,.- »\
.dr j' St ' «* ' 4 <** . -„ .
T ■■ '» **■* ■ .*
^*-*-*
'-ïr
■ %
'M
4. ''*
» i
~ /*■&-;
Bladzijde uit het schetsboek van Jozef Israëls (i),; x /o cm), die de
historizerende heldenpoze van de romantiek met het simpele vissers-
verhaal kombineert. (Gemeentemuseum, Den Haag).
Zand voort zelf bleef het werk van Israëls bewaard: zo de portretten
van moeder Nelletje en haar dochter Jaepie Zwemmer. Men zie hier-
voor Op de hoogte, jrg. 19 12, blz. 473.
Wij hebben het schetsboek uit 1855 - het was lange tijd onvindbaar -
eens een keer in handen gehad. Dit is het boek van Zandvoort, heeft
J. L, de schilder zelf, erin gezet. Op bladzij 2 staat: Allereerste jaar
Zandvoort, hetgeen impliceert dat Israëls ook in andere jaren te Zand-
voort is geweest. En dan zien wij potloodkrabbels van: een groep die
netten draagt (Joost Atlas bij Nicolaas Beets); een timmerman in zijn
werkplaats (bijgeschreven: roode verf); een hangklok en een console;
een rammelaar; een man slapend op de grond met een spade en een
schut waarover een doek; eenmaal een duinlandschap; een drietal
karren; een hurkende visser met zuidwester; een vrijer voor een vens-
ter waar een meisje achter zit (vgl. het schilderij Eerste Liefde); een
meisje met een muts (boterbloempje staat er bij die muts); een jochie
dat zijn eerste loopje maakt (schilderij Klein Jantje — vgl. een soort-
gelijk geval bij Millet); de flappende was ophangen in het duin
waarbij een moeder-met-kind en paarden. Op een afzonderlijk blaad-
je: een vrouwtje bij het vuur met een hangklok - dat zich o.a. ook
tegenover de titel bevindt van P. Heering's Overijsselsche vertellingen,
Leiden 1886. Het zijn allemaal mensen en dingen des dagelijksen
levens: doch Zien is een diep geschieden, aldus de uitspraak van Jaco-
bus van Looy. En het goede zien, dat gebeurt met het hart van een
Israëls, dat de willige heerseres is geweest over zijn soms wat be-
perkte tekenvaardigheid. En het is een geluk, dat Israëls ('de kleine
en wat schriele, altijd weifelende en wonderbare joodse jongeman,'
volgens Dr. W. J. de Gruyter) zich op den duur niets gelegen liet lig-
gen aan de raad van zijn leermeester Kruseman. Deze waarschuwde
hem, met vaderlijk vermaan, toen de begaafde leerling eens een oud
vrouwtje had geschilderd: 'Men mag geen leelijke menschen schilde-
ren, dat bederft den smaak!' De kunst moest toen op hoge brozen
gaan, en niet op doodgewone Hollandse klompen. Wat Israëls deed,
mag ons nu 'vieux jeu' lijken, in zijn tijd was het niets minder dan een
revolutie in de schilderswereld.
Veel van zijn kunst was - bewust of onbewust — een uitdaging van het
vooruitgangsoptimisme en de burgerlijke zelfvoldaanheid. En het is
geen wonder, dat Vincent van Gogh voor Israëls een grote bewon-
dering heeft gehad! ('Hoor eens, de techniek, de kleurmenging, het
modelé van den visscher van Zandvoort bijvoorbeeld, is in mijn oog
Delacroix-achtig en superbe,' 1885).
Ook Dr. Jan Pieter Veth (1 864-1925) in zijn Portretstudies en sil-
houetten, blz. 117 en 118, heeft schone woorden gewijd aan de toen
ontwakende liefde voor het expressieve in nederig huisraad, waarmee
Israëls te onzent een voorganger is geweest. Hij komt ook te spreken
over het Zandvoortse schetsboek, waaruit hij - evenals Dr. Max Eisler,
Jozef Israëls, London 1924, blz. 15 - motieven aanhaalt die men pas
142
Oude Dagen. In de publikatie 'Oud-Zandvoort' vindt men op pag.
102 dezelfde Zandvoortse vrouw, maar dan half 'en profil'.
in andere schetsboeken op het Haagse Gemeentemuseum aantreft:
vrouw met schoudermantel op een mand zittend die met een knaap
naast zich in zee staart (Nicolaas Beets: Uitreis); een vrouw met een
hondekar (schilderij Langs velden en wegen, dat pas 3 5 jaar later ont-
stond). In het Gedenkboek Keuze-Tentoonstelling van Hollandsche
Schilderkunst uit de jaren 1860-1892, heeft Jan Veth de gerijpte Is-
raëls zo uitnemend getypeerd, dat wij ook deze typering graag over-
nemen:
Morrelen in een verflaag, tastend naar het levensmysterie, dat uit den
schijn der dingen spreekt, dat is voor hem schilderen. Hij zal geen
143
Langs Moeders graf, volgens de gravure van ]. H. Rennefeld.
mooi geschilderd brok aanwijzen in eenig werk, — wat raken hem de-
licatessen van factuur! - maar spreken zal hij van hoe een figuur het
doet, en van hoe wel een tafereel van uitdrukking begrepen is...
Met [...] stuntelige middelen niets dan één grooten adem te doen
voelen, dat is het juist waarvoor Israëls er is.
Het valt niet mee, tot in details uit te maken welke van Israëls' wer-
ken hun inspiratie aan Zandvoort danken, mede omdat de meester
later in verwante zeedorpen is gaan werken. Zo nu en dan echter vindt
men aanduidingen als: Oude vrouw uit Zandvoort, Anneke van Zand-
voort (model voor Het breistertje), Zandvoortse visvrouwen op de
thuisweg, Oude Zandvoortse visser. Een veilige gids lijken de schets-
boeken die echter niet alles behelzen wat Israëls in Zandvoort ge-
schetst heeft. Zo bijvoorbeeld niet de olieverfschets uit het Groninger
Museum voor Stad en Ommelanden (een oud Zandvoorts buurtje).
Topografische aanwijzing geeft ook De kinderen der zee (1860,
tweede druk 1872, derde druk 1889, vierde druk 1895, vijfde druk
1901; als Ons Visschersvolkje in de Dichtwerken), waarin Nicolaas
144
Beets een dozijn verzen heeft geleverd - later met twee zulke dicht-
stukken-naar-Israëls vermeerderd - bij gravuren van J. C. Rennefeld
(Neuss 1823-Amsterdam 1877) naar schilderijen van Israëls. Hiervoor
hebben wij al - bij het schetsboek - op de dichterlijke uitwerking door
Beets gewezen, die de dichter zelf - aldus zijn inleiding in de Dicht-
werken — lager stelt dan zijn hiervoor geciteerde Visschers Jaap: 'Iets
anders is het naar de levendigste voorstelling van het leven, iets anders
naar het leven zelf te werken' (april 1874). Hoe Beets zich toch wel
alles van Israëls op Zandvoort denkt (ofschoon de prent bij Waar
blijft hij? Katwijks is), blijkt uit gedicht nummer 2 dat het in de zee-
reep luierend en op het water uitkijkend kind identificeert met een
Zandvoorts kind. Dr. Max Eisler, in Elsevier's geïllustreerd maand-
schrift, jrg. 21 (191 1), juli-december, deel 42, blzz. 266-285, wijdde
een belangrijk artikel aan Zandvoort i8jj, dat topografisch echter
weinig te bieden heeft. Hierin bespreekt hij het wereldvermaarde uit
1856 daterende Langs het kerkhof (Stedelijk Museum te Amsterdam),
door Beets Langs Moeders graf genoemd, dat na het simpele en ook
door de jonge Pieneman bewonderde Eerste liefde Israëls' tweede
schepping is geweest op grond van zijn Zandvoortse pelgrimstocht. In
tegenstelling tot veel van het latere werk hebben beide stukken ge-
meen, dat zij atelier-werk en geen plein-air schilderijen zijn: het enige
Zandvoortse wat eraan is zijn de meegebrachte kostuums en accessoires
- Amsterdammers van de Rozengracht ca. hebben ervoor geposeerd.
Niettemin: ieder kent ook in onze tijd het roerende Langs Moeders
graf oftewel De Zandvoortse Visser: hetzij van het Israëls-monument
te Groningen (onthuld in 1922, vernield in 1943, hersteld in 1946),
hetzij van de talrijke afbeeldingen, tot op koektrommels toe. Een
stoere in-zich-zelf-gekeerde visser, in hoezee en zuidwester en met een
stuk net bij wijze van romantisch attribuut bij zich, z'n kleine Stijntje
op de arm en z'n wat oudere Krelis aan de hand. Al gaat het over
het harde en tobberige vissersleven, met zijn toneelachtig licht-en-
donker-effekt en zijn klassicistische deklamatietrant heeft het be-
roemde schilderij nog vrijwel de allure van de Pieneman- en Kruse-
manschool — het is geen bijna zwijgen in vervagende bruinen-en-grij-
zen, zoals wij het later van de meester zullen zien. De in krijt gedane
voorstudie is treffender dan het schoolse en zware schilderij, aldus
Jan Veth in de prachteditie. Die in ons boek gereproduceerde gravure
van Rennefeld (ook J. W. Kaiser - 18 13-1900 - maakte een gravure)
beperkt zich tot de scherpe weergave van de tragische groep en laat de
effektvolle atmosfeer achterwege. Merkwaardiger nog is een andere
vernuchtering: op raad van een vriend had Israëls zijn reeds voltooide
schilderij onderaan-rechts van een grafkruis voorzien, dat ongetwijfeld
het toch al grote ef fekt op een elementair-gevoelig publiek nog uiter-
mate heeft versterkt. Rennefeld kan dit kruis weggelaten hebben, om-
dat hij wist hoe het er indertijd is opgekomen en omdat hij beseft kan
hebben, dat grafkruisen zich zeker niet pal bij het strand bevinden en
l 45
nog meer dat zij in een overwegend Nederlands-Hervormd vissersdorp
wellicht minder op hun plaats zijn, ondanks een niet-te-verwaarlozen
minderheid van in de buurt bij de Zandvoortselaan woonachtige
Rooms-Katholieke Zandvoorters (Van der Aa's woordenboek, in
185 1, geeft 950 Nederlands-Hervormde en 220 Rooms-Katholieke
Zandvoorters).
Het jaar 1858 brengt - behalve Na de storm — De Wieg en Ida, het
vissersmeisje (waarvoor het ovaal portret van de Zandvoortse Anneke
een voorstudie is geweest), welk laatste stuk door het gedicht van Ni-
colaas Beets en door de toonzetting van de Rotterdamse Wouter Hut-
schenruyter Sr. (1796-1878) vooral bekend is geworden als Het Brei-
stertje. Het schilderij De Wieg (óók berijmd door Beets) toverde nog
in later jaren op het gelaat van de meester een glimlach van innige
voldoening. En van Het Breistertje was hem de hele geschiedenis, het
model en de ontvangst die het te beurt gevallen is, tot in de kleinste
bijzonderheden bijgebleven. De tekst van Beets is ditmaal zo geslaagd
- hij komt nu nog in bloemlezingen voor - dat wij hem hier afdruk-
ken (de muziek van W. Hutschenruyter is op de Leidse Universiteits-
bibliotheek). De stijl is volksaardig met zijn staat... en breit en zijn
leuk chiasme in wezen mag en mag zijn, en er zit ontegenzeggelijk
gang in het geval.
1
Mooi Kniertje staat van dag tot dag
En breit voor haar deur een kwartiertje:
'Voor wie dat paar kousen wel wezen mag,
'Mijn allerliefste Kniertje?
2
'Voor wie dat paar kousen wel mag zijn,
'Voor moêrtjen of voor vaartje?'
Zucht dag op dag die bleke Krijn,
'Of zijn ze voor Grietjen of Saartje?'
3
' 'Wel Krijnbuur! wist je dat zo graag?
' 'U wil ik het niet verzwijgen.
"Je bent niet voor niets zo jentig vandaag,
' 'Om alles uit me te krijgen.
' 'Beloof maar dat je 't niemand zegt' '
Spreekt Kniertje, hoe langer hoe zachter;
' 'De wereld is tegenwoordig zo slecht;
' 'Ze zocht er zeker wat achter.
146
Anneke van Zandvoort, geliefd model van de schilder, naar de gravure
van ]. H. Rennefeld.
5
' 'Die kousen zijn voor me moertje niet,
' 'Ze passen niet voor me vaartje;
' 'Ze zijn ook niet voor zuster Margriet,
' 'Nog minder voor 't kleine Saartje.
' 'Ze zijn voor geen oompje, ze zijn voor geen meui,
' 'Hoe boog of hoe laag ze ook sprongen;
M7
' 'Ze zijn niet voor een oude kneu,
' 'En niet voor een laffe jongen.
7
' 'Ze zijn- ze zijn- ze zijn- ze zijn-
' 'Je zult het maar raden moetent
' 'Die kousjes, zo netjes, zo fijn,
' 'Ze zijn— voor twee blote voeten.' '
Ook andere dichters dan Beets hebben verzen geschreven bij de vissers-
taferelen van Jozef Israëls. Onder hen was W. J. Hofdijk, die meer
was gaan zien dan kloosters en kastelen. Men vindt zijn Twee Zonen
- gesitueerd in het Zandvoort van de Spaanse tijd - in zijn Romanti-
sche Poézy van 1867. De bijgevoegde gravure door Willem Steelink
Sr. (Amsterdam 1826-Amsterdam 19 13) naar de schilderij van Israëls
(waarvan men de aanloop al in het Zandvoortse schetsboek aantreft),
wint het verre van het breedsprakige verhaal-in-dichtvorm van de
ouder en kouder geworden Kennemer Minstreel. Dan had Carel Vos-
maer beter de keurig-eenvoudige toon te pakken, in zijn aan J. Israëls
opgedragen Zondagmorgen aan het strand (Vogels van diverse plui-
mage, afdeling Gedichten, Leiden 1879).
Behalve Jan van Walré, J. van Oosterwijk Bruijn (Het badhuis te
Zandvoort, 1828) en W. J. van Zeggelen (De Wedren bij Zandvoort,
6 en 7 september 1844) heeft ook S. J. van den Bergh - die een vrij
groot aantal verzen aan het Noordwijkse vissersleven heeft gewijd
(zie Gerard Brom, Schilderkunst en litteratuur in de 19e eeuw, Aula-
reeks [ 1959] , blz. 47) - een gedicht in verband met Zandvoort geschre-
ven. Door middel van De Visscher van Zandvoort (1847) — een hoog-
bejaard man, wiens enige troost de eveneens vergrijsde poedel is -
levert hij een langademig pleidooi voor een Nederlands pendant van
het Britse Greenwich hospital, tehuis voor oude zeelui.
Het voorbeeld van Jozef Israëls - ook omstreeks 1874 de ontdekker
van het Gooise Laren (W. J. Rust, De Gooise Dorpen, blz. 46) - is
door vele schilders gevolgd. Naast de Vlaming Timmermans en de
Duitsers Mücke en Haver, mag — behalve de in Zandvoort overleden
Duitse schilder Louis Corinth (1926) - genoemd worden Kasparus
Karssen (Straat in Zandvoort, 1885) en de Duits-Joodse Max Lieber-
mann (1847-1935), felle tegenhanger van de mijmerende Jozef Israëls.
Wij zagen van hem o.a. een grandioze werkplaats, een open straatje
en het tolhuis - alle drie van onmiskenbaar-Zandvoortse origine. Sinds
1875 heeft Liebermann te Zandvoort gewerkt, waar hij o.a. — samen
met de schilder Fritz von Uhde (1848-1911) - evenals Israëls bij de
timmerman gelogeerd heeft. Later liet hij zich door Scheveningen in-
spireren èn door het tevens zo mondaine Noordwijk. Heel fijn is het
werk van Hendrik Hulk (een Amsterdamse schilder), die tussen 1880
en 1890 in Zandvoort werkte en van wie men nog heel wat bij Zand-
148
Twee Zandvoortse schilderijen van H. Hulk (tegen 1890).
* 1,'&fi»- ¥*nrï«,'.
^mêÜÊÊ
voorters aantreft. Ook van Willem Gruijter Jr. is Zandvoorts werk
bekend: zo een bomschuit, met de Zwaan als redersembleem.
Twee amateur-schilders mogen in dit overzicht niet ontbreken. Daar
is allereerst de huisschilder P. H. van den Bos. In Het Wapen van
Zandvoort - het enige echt-oude dorpscafé, waar men eigen-gemaakte
drankjes drinken kan en waar het zand nog op de houten vloer ligt —
kan men twee schilderijen van hem zien. Uit 1888: een pink op het
strand, benevens een visser met kriel. Uit 1882: een treffend stuk met
vechtende jongens (zwarte hoezee met rode baai eronder), kersvers
terug van de haringvangst, vergezeld van meisjes in klederdracht — dit
alles op een dorpsplein met witte palen. Voorts heeft Eugène Con-
stant van Son (18 57-191 3) - een amateur-kunstschilder te Bloemen-
daal, later te Haarlem - Zandvoortse dorpsmensen geportretteerd in
olieverf (1904-1907). Men noemt :i. Menski [Molenaar geb. Drommel]
uit het Diakoniehuis, oud 77 jaar (1904 of 1905); 2. Oude Griet (sep-
tember 1904); 3. Oude Griet; 4. Jachtopziener Van der Valk, bijge-
naamd Kees Vaar, op de rand van zijn bedstede zittend (1905); 5. De-
zelfde, als aardappelschiller; 6. Moeder Zwemmer uit het armen- of
oudemannenhuis (juli 1907). Niet te Zandvoort, maar in het atelier
te Bloemendaal geschilderd : een oude en daarvoor uit Zandvoort ont-
boden man. Misschien behoort ook tot deze Zandvoortse reeks een
binnenhuis met vrouw aan het raam.
Ook de Haarlemse weesjongen Jacobus van Looy (185 5-1930) had
menige voetstap in Zandvoort liggen. Hiervan getuigt zijn als knaap
reeds aangelegde tekenboekje bij Ael (door F. P. Huygens besproken
in zijn De Academietijd van Jacobus van Looy, Elsevier 's geïllustreerd
maandschrift, jrg. 50, deel 100, blz. 511, december 1940). Hiervan ge-
tuigt al eveneens zijn De Visvrouw, door Godfried Bomans geken-
schetst als een stuk lenig, welig en mals proza in versvorm (Elsevier-
bloemlezing, herfst 1953). Eerst opgenomen in De Nieuwe Gids, jrg.
1928, deel I, blzz. 400-405, werd De Visvrouw twee jaar later bijge-
voegd in Jacob, het laatste deel van Van Looy's trilogie, waar men
het gemakkelijk vinden kan. Onze waardering is, uit een dialektoog-
punt, minder groot dan die van Bomans. Met leupen en leupt voor
lóópe en lóópt en met neie voor nuwe en met meistal voor miestal en
met verkleinwoorden op -ke (streepke) weten wij op Zandvoort geen
raad, in geen oude en in geen nieuwe tijd. Maar aan de andere kant
worden ook wij, met onze volkskundige oriëntatie, verblijd door plas-
tische elementen die de aan Tachtig geschoolde kunstenaar voordelig
onderscheiden. Wij zien haar vóór ons, deze visvrouw Ael, met de
schulprand van haar hoed en met de rok wit-blauw gestreept en voor
de schoot geschort. Dankbaar noteren wij zeldzame woorden als
poepenoderig voor verwachtend-onderdanig-beleefd en het zeldzame
wen, dat Dr. G. J. Boekenoogen {De Zaansche Volkstaal) in oude keu-
ren ontmoette (wen halen, in verband met volksgebruiken) en dat Dr.
G. D. J. Schotel als folkloristische formule in Noordwijk-Noordwijker-
150
Zandvoorts straatje, omstreeks 1890. Ets van J. M.
Roggen. (Rijksarchief, Haarlem)
Graadt van
hout signaleerde (Vrou Abdis, geef je wen in zijn Oude zeden en ge-
bruiken in Nederland, Dordrecht 1859, blz. 4 - 'wen' is echter 'mand').
Wij zien het dorp voor onze ogen liggen; inklusief de opstekende
schelpkar die Van Looy ook al eens in krijt getekend heeft (1872):
...'t opene, duinzanderige straatje,
waar tussen schuttingen van schuitenplanken was een hobbelpaadje
ijr
en waar de scharren aan hun lijn te drogen hingen,
van daakje naar rooie daakje, allerlei geriefelijke dingen,
potten lagen en pannen, groot en klein,
zo enkel maar in strandgehuchten zijn;
en waar een schelpkar rees, hoe kwam die daar zo hoog?
met allebei zijn bomen de lucht-met-meeuwen in toog.
Onze beschouwingen over het oud-Zandvoortse volksleven zijn wij bij
het volk begonnen, en met des volks voortreffelijke zonen, zijn kunste-
naars, zijn wij geëindigd. Een dergelijk besluit bewijst eens-te-meer
welke waarden deze oud-Zandvoortse volkskultuur in zich bergt voor
wie de rechte kijk bezit.
DR. TJ. W. R. DE HAAN
x._
/>
U.J— s '
-v
«~->
Naar Zandvoort in 191 j!
152
Keizerin Elisabeth te Zandvoort 1884-'S5
Elisabeth, genaamd Sissi, werd geboren op 24 december 1837, zij
werd op 10 september 1898 vermoord door een anarchist, die later in
de gevangenis zelfmoord pleegde. Op 24 april 1854 huwde zij met
keizer Frans Jozef de eerste van Oostenrijk. In het boek Elisabeth, van
Egon Caesar Conté Corti, in het Nederlands bewerkt door Maria
Heemskerk, lezen we op bladzijde 238 ev. (in de 8ste druk op blad-
zijde 200):
'De ischias of nerveuze pijnen van Elisabeths voeten worden intussen
door de vele krachttoeren steeds erger. En in mei 1884 reist zij opeens
halsoverkop naar Amsterdam om daar de toentertijd wereldberoemde
Dokter Mezger te raadplegen. Dit is een kort aangebonden heerschap,
die een massagekuur van zes weken als vereiste voor haar beterschap
stelt. Hij bereikt er echter weinig mee, daar Elisabeth ook in Holland
overmatig aan sport blijft doen en eens zelfs tien uur achter elkaar
marcheert. Zij wordt zó prikkelbaar, dat Dokter Mezger de kuur af-
breekt en blij is, Hare Majesteit te zien vertrekken. In juli 1884 komt
Elisabeth in Beieren terug en de Hollandse dokter, met wie zij dweept,
juist omdat hij zo kortaf tegen haar is, heeft tenminste bereikt dat zij
nu regelmatig en behoorlijk eet. Hij dreigde n.1. dat zij binnen twee
jaar een oude vrouw zou zijn, wanneer zij voortging zich zo slecht te
voeden. Maar de tochten, zelfs bij stromende regen, worden voortge-
zet. De verblijfplaats voor de herfst is natuurlijk weer Gödöllö in Hon-
garije en in november ook Of en (Boedapest). Daar ontvangt Elisabeth
de koningin van Roemenië, Carmen Sylva, met wie zij in veel opzich-
ten overeenstemt en die haar aanraadt het dichten te hervatten, 'als
bliksemafleider voor allerlei leven'. Dezelfde raad had Valerie, haar
moeder, ook dikwijls gegeven.
Voorlopig verdiept de keizerin zich alleen nog maar in haar twee
lievelingsdichters, Heinrich Heine en Homerus. Na de wintercam-
pagne in Boedapest en Wenen, die haar geduchte 'hofbalhoofdpijn'
bezorgde, zoals Valerie het zelf noemt, gaat zij in maart 1885 weer
een kuur doen bij dokter Mezger in Amsterdam. Zij huurt een villa in
Zandvoort. En hier is het, dat na 30 jaren weer een gedicht ontstaat
in de trant van Heine en tegelijk een verheerlijking van de Homerische
Achilles, die meer en meer Elisabeths droomheld wordt. In de tuin van
Miramar bij Triest, (een buitenverblijf van de keizerlijke familie)
heeft zij een beeld van zijn stervende figuur laten plaatsen.
De steeds wisselende schoonheid van de zee geeft haar stof tot vele
153
dichtproeven en zij ziet zichzelf als een rusteloos zwierende zeemeeuw,
die nergens neerstrijkt om er lang te blijven. Uit haar poëtische dro-
men wordt zij vrij hardhandig gewekt door een zekere Leon Binds-
huyden, een als heer gekleed persoon, die op straat in Amsterdam haar
waaier met zijn paraplu opzij slaat. De politie verhoort hem en hij
verklaart alleen het gezicht van de zich zo verbergende dame te heb-
ben willen zien. De Nederlandse regering betuigt haar leedwezen, maar
voor Elisabeth is het een waarschuwing, om zich niet overal volkomen
veilig te wanen.
Van Amsterdam gaat de reis over Heidelberg. In december wenste zij
vanwege haar ischias weer naar dokter Mezger te reizen, doch zij werd
door haar dochter Valerie hiervan afgehouden. Elisabeths wanhopige
klachten komen haar dochter overdreven voor. Wanneer zijn vrouw
zelfs toespelingen maakt op zelfmoord, verklaart Keizer Frans Jozef
eenvoudig: 'Dan kom je in de hel'. Tot zover het interessante verhaal
van Graaf Corti.
Wat het verblijf in Zandvoort van deze 'merkwaardige vrouw' betreft,
weten wij dus, dat zij ter genezing een bezoek bracht aan dokter Mez-
ger in Amsterdam. Deze oefende praktijk uit in het Amstelhotel al-
daar. Op 2 mei 1884 kwam H.M. met gevolg per extra trein in de
hoofdstad aan. Zij reisde streng incognito onder de naam van Gravin
von Hohenembs. Het incognito betekende echter niet zoveel, want
spoedig vertelden de bladen dat de keizerin van Oostenrijk in Amster-
dam was. Zij nam haar intrek in Bracks Doelenhotel. De keizerin
hield ervan, zich vroeg ter ruste te begeven en tijdig op te staan. Direct
na aankomst begaf zij zich naar de beroemde medicus en bracht ver-
der haar dagen door met het maken van uitstapjes in Amsterdam en
naar de Zaanstreek, naar Alkmaar, Volendam, Marken enzovoort.
Ook de lijfarts van de keizerin, Hofrath Wiederhofen, had op de dag
van aankomst een konferentie met dokter Joh. G. Mezger. Het resul-
taat daarvan was de raad aan de Keizerin, direkt met de voorgenomen
kuur te beginnen.
Op 9 mei 1884 bezocht de keizerin met haar inmiddels overgekomen
dochter Valerie en gevolg van vijf personen de badplaats Zandvoort.
Daar werd een wandeling van een paar uur langs het strand gemaakt.
Het diner werd daarna gebruikt in Hotel Kaufmann (Hotel d'Orange).
Met de avondtrein keerde het hoge gezelschap terug naar Amsterdam.
De volgende dag echter, kwam H.M. weer naar Zandvoort, waar zij
met grote belangstelling keek naar het veilen van de vis op het strand,
van de pinken aldaar aan land gebracht.
Ook het oude Kennemerland, met zijn zee en duinen en vele oude bui-
tenplaatsen, oefende op de keizerin een grote bekoring uit. In Velsen
stelde de heer Wüste zijn Zwitserse chalet 'Spaar en Berg' aan de
Wüstelaan te Santpoort aan haar ter beschikking. Op 14 mei ver-
trok het stalpersoneel met vier paarden naar Santpoort, waar de
viervoeters ondergebracht werden in de stal van 'Spaar en Berg' om
154
Keizerin Elisabeth. Schilderij van Winterhalter (1864).
Was will die einsame Trane?
Sie trübt mir nur den Bliek.
Sie blieb aus alten Zeiten
In meinem Aug' zurück!
Heinrich Heine.
daar te dienen voor uitstapjes van de keizerin door de omgeving.
Omstreeks 18 mei 1884 nam de keizerin in hotel Kaufmann te Zand-
voort met haar gevolg, bestaande uit 1 5 personen, elf appartementen
in gebruik. In de vroege morgenuren na het ontbijt werden kleine
wandelingen langs het strand gemaakt, die zich soms ook door de
duinen uitstrekten tot Santpoort, vanwaar H.M. dan gewoonlijk te
paard naar Zandvoort terugkeerde, altijd zoveel mogelijk langs het
strand. Na het diner wandelde zij wederom langs de zee en begaf zich
dan vroeg ter ruste. Op 26 mei bezocht de keizerin voor de tweede
maal Den Haag en Scheveningen en legde deze tocht geheel te voet af.
Bij terugkomst in Zandvoort, was het die dag blijkbaar prachtig weer,
want het was te Zandvoort 'zeer vol'. 'De Ton', welke op het duin
geplaatst was, niet ver van Hotel Kaufmann, bood waarschijnlijk een
aantrekkelijke rustplaats, want vandaar verlustigde de keizerin zich
in de schone aanblik van zee en strand. Des morgens ging de keizerin
in deze tijd naar Dokter Mezger, des middags was zij dan weer in
Zandvoort, omdat de zee een grote aantrekkelijkheid voor haar bezat.
En hoewel H.M. zelf de beschikking had over een luxe equipage, gaf
zij voor haar ritjes in de omgeving meermalen de voorkeur aan het
eenvoudige oude brikje van de stalhouder Driehuijzen te Zandvoort.
Zij hield van lange wandelingen langs het strand en wilde ook te voet
naar Noordwijk, doch moest daarvan afzien, omdat haar gevolg be-
zwaar maakte tegen deze wandeling van drie uur heen en drie uur terug
door het vaak mulle zand. Meermalen maakte zij echter deze tocht
per rijtuig langs het strand. Een vierwielige boerenwagen met brede
wielen, goed voorzien van kussens en dekens en met twee paarden be-
spannen, werd hiervoor gebruikt.
Tijdens haar verblijf in hotel Kaufmann maakte de keizerin gebruik
van de badinrichting 'Neptunus', die geëxploiteerd werd door de heer
Kaufmann in compagnonschap met de heer Jan Hollenberg, de vader
van de heer Jan Hollenberg, die later in de Zuiderstraat woonde. Van
de toen nog witgeschilderde badkoetsen werden de nummers 1 en 2
gereserveerd voor de keizerlijke familie. In deze beide koetsen hing
tegenover de deuropening een spiegel, waarnaast aan de ene zijde de
Oostenrijkse en aan de andere kant de Nederlandse vlag was geschil-
derd.
Meerdere malen woonde keizerin Elisabeth de mis bij in de Parochie-
kerk te Zandvoort, die werd gelezen door pastoor W. Hoorneman
van de parochie van de H. Augustinus te Amsterdam, aan wie daar-
toe het verzoek was gedaan. Later woonde de keizerin ook diensten
bij, die geleid werden door de Zandvoortse pastoor 1'Ami. Deze kon
tevreden zijn over het verblijf van zijn hoge gaste in Zandvoort, want
zij schonk de pastoor een zeer fraaie en waardevolle kazuifel, waar-
aan zeer veel goud-brokaat verwerkt was en die vervaardigd werd in
Wenen. Aan de achterzijde zijn onderaan de wapens van de keizer-
lijke familie geborduurd, waarboven de Oostenrijkse kroon is aange-
bracht. Dit kazuifel verkeert ook thans nog altijd in zeer goede staat
en wordt nog steeds gebruikt.
De zee trok de keizerin onweerstaanbaar. Zo begaf zij zich ook naar
IJmuiden en maakte vandaar over zee een tochtje met de Hercules.
Op maandag 9 juni, daags voor haar vertrek, bezocht zij Apeldoorn,
waar Het Loo werd bezichtigd. Op ro juni vertrok H.M. Volgens de
pers heeft zij zich in die dagen zo vrij in Zandvoort kunnen bewegen,
156
Dr. Joh. G. Mezger. (Verz. G. N. de Heer)
omdat de bevolking en de bezoekers van het zeedorp haar niet hinder-
den en haar incognito streng eerbiedigden.
Daardoor rijpte bij haar het plan, zes weken later terug te komen,
doch het duurde tot 27 februari 188 j, alvorens de keizerin weer in
Amsterdam kwam, om de het vorig jaar afgebroken kuur bij dokter
Mezger voort te zetten. Kort na haar aankomst vertrok zij alweer
naar Zandvoort, waar de heer Ricard, chef van de firma Ricard en
Freiwald te Amsterdam, haar als gaste in zijn villa 'Paula' aan de
IJ7
Noordboulevard ontving. Dit landhuis was voor een gedeelte nieuw en
op waarlijk vorstelijke voet voor de hoge gaste ingericht. De maal-
tijden werden in Bracks Doelenhotel bereid en uit Amsterdam in villa
Paula bezorgd. Bij kleine uitstapjes van IJmuiden uit maakte de keize-
rin gebruik van het Engelse stoomjacht 'Santé Cecilia' van Lord Paget.
Het was een fraai ingericht en goed bemand ijzeren stoomschip. Deze
boottochten bekwamen H.M. blijkbaar goed, want op 1 1 maart maakte
ze met hetzelfde schip weer een tochtje, overnachtte aan boord van
het jacht en kwam 's morgens om 6 uur in IJmuiden weer binnen,
doorstomend naar Amsterdam, waar de keizerin moest zijn voor de
behandeling door dokter Mezger. Op ij maart herhaalde zij deze
tocht nog eens. Op 29 maart 1885 overhandigde H.M. in zeer vleiende
bewoordingen aan dokter Joh. G. Mezger de onderscheidingstekenen
van Groot Officier met de Ster in de orde van Frans Jozef, hem door
Z.M. de Keizer verleend. Daarna kwam weer het afscheid. Per spoor
vertrok de keizerin naar IJmuiden. Daar wachtte de 'Santé Cecilia'
voor een vijfdaagse tocht langs de Engelse kust. Daarna ging de boot
naar Vlissingen en werd per keizerlijke trein de tocht naar Heidelberg
voortgezet, waar haar dochter Valerie haar opwachtte.
Het gedicht van Heine onder het portret van de keizerin was haar
lievelingsgedicht. Het is ingebeiteld in het monument, dat zij liet plaat-
sen in het park van het kasteel Achileion op Korfoe. Naar men zegt,
had zij in verband met het vele verdriet in haar leven (kroonprins
Rudolf en het drama van Mayerling) de laatste regel willen verande-
ren in: 'In meinem Mutteraug zurück'. Uit piëteit tegenover de grote
dichter heeft zij dit echter niet willen doen.
Zo eindigde het bezoek van keizerin Elisabeth van Oostenrijk aan
Zandvoort, een bezoek, dat ook nu nog in de harten van vele oud-
Zandvoorters voortleeft en dat van vader op zoon wordt oververteld.
G. N. DE HEER
ij8
Kulturele verenigingen en instellingen
Zandvoortse Muziekkapel
Tamboerkorps van de Zandvoortse Muziekkapel
Accordeonvereniging 'Zandvoort'
Hervormd Kerkkoor
Gereformeerd Kerkkoor
R.K. Kerkkoor 'Sint Caecilia'
Zandvoorts Christelijk Kinderkoor
FEELBEA - sextet
Zandvoorts Bejaardenkoor
Vereniging 'Toonkunst Oratoriumkoor Zandvoort'
'Stichting Culturele Kring 't Helm' Zandvoort
Zandvoortse Folklore Vereniging 'De Wurf '
Zandvoortse Volksdansvereniging
Toneelvereniging 'Wim Hildering'
Toneelvereniging 'Op Hoop van Zegen'
Toneelvereniging 'Sandevoerde'
Zandvoortse Operettevereniging
Operettevereniging 'Jong Zandvoort'
Jongeren toneelgroep 'Met de helm geboren'
Nederlands Padvindstersgilde 'Zeedistelgroep', afdeling Zandvoort
Verkenners van de Katholieke Jeugdbeweging, afdeling Zandvoort,
'Sint Willibrordus'
'De Nederlandse Padvinders', afdeling Zandvoort, 'The Buffalo's'
Hervormde Jeugdraad
Gereformeerde Jeugdcentrale
Rooms Katholieke Jeugdraad
Hervormde Jeugdvereniging 'De Vliegende Schotel'
Speeltuinvereniging 'Kindervreugd'
Rooms Katholieke Jeugdvereniging 'Y.O.K.A.'
Openbare bibliotheek en leeszaal
Fotokring Zandvoort
Stichting Gemeenschapshuis Zandvoort
Volksmuziekschool Zandvoort, onderafdeling V.M.S. Haarlem
(1968)
iJ9
Epiloog
In 1960 verscheen Oud-Zandvoort. Het werd officieel aangeboden
ten gemeentehuize, in een gezellige bijeenkomst, en het raakte binnen
een paar jaar uitverkocht. Het was dan ook een werkje van liefde,
door de diverse medewerkers vol toewijding samengesteld, en door
Gertenbachs Drukkerij op een vlekkeloze wijze gedrukt. En de Zand-
voorters, zowel de oude kern als de nieuw aangekomenen, houden
van hun dorp.
Nu, in 1968, komen wij andermaal met ons geschrift over Zand-
voort voor den dag, ditmaal onder de titel Gort met stroop. En wel
in de reeks 'Stad en Dorp' (die zal worden voortgezet, naar het zich
laat aanzien, met Warmond, Eemland, Volendam, Scheveningen, Kat-
wijk, Haarlemmermeer en wat zich nog meer zal aanbieden aan volks-
kundig georiënteerde dorpsmonografieën). Ook wie Oud-Zandvoort
al bezit, kan nog heel wat nieuws vinden in Gort met stroop: de tekst
werd uitgebreid (en waar nodig óók bekort), het plaatjesmateriaal
vernieuwd en sterk vermeerderd, nieuwe medewerkers werden aan-
getrokken.
Nagenoeg tegelijkertijd verschijnt 'Zandvoort in oude prenten', dat
vooral een beeld wil geven van de periode 1840-1940, toen alles zo
helemaal anders was op Zandvoort dan in dit haastige en gejaagde
1968, nu het een het ander verdringt.
Daarnaast verblijden wij ons ten zeerste over het nieuwe, dat ook in
Zandvoort allerwegen is opgeschoten. Er is - om uit het vele eens iets
te noemen - een veertigtal verenigingen, waarbij een kulturele-avon-
den-inrichtende als 't Helm en een drietal toneelklubs. 'Toneel speule
dat kenne ze op Zanfert. Bai 't eerste spul dat ze hier opvoerde, is
er nog ien 'n oog oiteschote. Dat was mit dat stik van Witte van Haem-
stede op de Blenk, de Blinkerd!'
Dorpen als Zandvoort hebben kultureel gezien, een dubbele taak.
Aan de ene kant dienen zij gulhartig mee te doen met alles wat juist het
moderne leven te bieden heeft, ja, in zekere zin dienen zij de Stad
binnen het Dorp te halen. Doch aan de andere kant moeten zij be-
waren en als dat kan verder ontwikkelen c.q. opnieuw in-het-leven-
roepen wat hun is overgebleven aan een traditionele volkskultuur die
hen van alle andere dorpen tot op zekere hoogte onderscheidt. Het
ziet er naar uit, dat Zandvoort deze tweezijdige opdracht verstaat en
wij kunnen ons daarom als historisch en sociologisch ingestelde kuituur-
onderzoekers, als volkskundigen, dan ook uitermate verheugen in het-
161
geen een zo sterk wisselend dorpsleven als dat van Zandvoort ons op
het stuk van een desalniettemin tamelijk kontinue ontwikkeling te zien
geeft. Dat dit in lengte- van-dagen aldus blijven moge: een goede har-
monie tussen verleden, heden en toekomst benevens een echte gebor-
genheid, niet alleen wat de oud-Zandvoortse kern betreft, in een ge-
zamenlijk omhoog strevende gemeente die nog veelszins een gemeen-
schap genoemd mag worden.
Santpoorterplein 28, Haarlem
DR. TJ. W. R. DE HAAN
162
Bibliografie
H. Zoeteboom, DeZaanlants Arkadia, i6$8, blz. 143 vgl.
G. Tijsens, Haarlemmer duinzang van Sandvoort af tot Haarlem,
1728.
Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden, VIII, blz. 250 vgl,
Amsterdam, 1750.
Jac. Kok, Vaderlandsch woordenboek, XXXIV, blz. 41 vgl. Amster-
dam, 1795.
A. ]. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek, XIII, blz. 85 vgl.
Gorinchem, 185 1.
F. Allan, Geschiedenis en beschrijving van Haarlem, II, blz. 140 vgl.
Haarlem, 1877.
F. Allan, Bad Zandvoort, Amsterdam, 1 8 8 1 .
Noordzeebad Zandvoort, Amsterdam, 1891.
F. Anderheggen en L. J. Neumeyer, Amsterdam zeebadplaats, Amster-
dam, 1897.
ƒ. M. Sterck-Proot, Geschiedenis van Zandvoort (hs. gemeente archief
Haarlem).
P. van der Mije, Van Mullevoorde tot badplaats, Zandvoort, 1950.
Idem, De geschiedenis van de Nederlands Hervormde Kerk te Zand-
voort, 1960.
Idem, Leert de zee kennen, 1951.
Idem, De zee, 1932.
P. N. van Doorninck, Inventaris van het oud-archief der heerlijkheid
Zandvoort, 1892.
F. E. Posthumus Meyjes, De heeren van Zandvoort. In: Nederlandsche
Leeuw, 1920.
C. S. Buys Ballot, De heeren van Zandvoort. In: Nederlandsche
Leeuw, 1921.
B. W. A. Sloet tot Oldhuis, Oeconomische beschrijving van de bad-
plaats Zandvoort, 1863.
Rapport van de badplaats Zandvoort, 1947.
Zandvoort, een sociaal geografisch struktuuronderzoek. Utrecht, 1957.
Een bezoek aan Zandvoort. In: Eigen Haard, 1881.
J. Adel, Zandvoort in wintertijd. In: Eigen Haard, 19 12.
Van drie badplaatsen; Zandvoort en hare uitbreiding. In: Op de
Hoogte, 19 17.
G. van Nes-Uilkens, Voorjaar te Zandvoort. In: Morks' Magazijn,
1920.
163
Idem, Zandvoort. In: De Hollandsche Revue, 1921.
Zandvoort (door Ro van Oven). In: Buiten, 1930.
J. van Oosterwijk Bruijn, Het badhuis te Zandvoort, 1828.
De wedloopen en harddraverijen, ingesteld door de Sociëteit tot aan-
moediging en verbetering van het paardenras, gehouden op het terrein
der Sociëteit nabij Zandvoort, 1844.
W. J. van Zeggelen, De wedren bij Zandvoort, 1844.
Een Hollandsche wedloop. Door Hippolytus [A. Beets], 1844.
Inwijding van de bewaarschool te Zandvoort. Leeuwarden, 1845.
Hoog zeewater te Zandvoort, 1792. In: Zaanlandsch Jaarboek, 1850.
Hs. Jan Snijer, eigenhandige levensbeschrijving (archief mej. E. Bakels
te Zandvoort).
Het nieuwe Kurhaus te Zandvoort. In: De Bouwwereld, 19 13.
C. D. Scheer en G. A. van Dieren, De eerste electrische tram in Neder-
land.
Bijdrage tot de kennis van de opkomst van Zandvoort als badplaats
(r938)-
Prof. Dr. H. J. A. Duparc, Zandvoorts tram. In: Op de rails, decem-
ber 1959 (jrg. XXVII).
H J. Barnhoorn en Joh. G. Crabbendam, Honderdjarig bestaan van
de parochie Sint Agatha te Zandvoort, 195 1.
E. C. M. Roderkerk, De Kennemer duinen, II. Van vloedlijn tot bin-
nenduin, 1959.
Dr. B. van den Berg, Het dialect van Zandvoort en zijn plaats in de
Hollandse dialecten, 1959.
Cees van der Meulen, Zandvoort, foto's en tekst ( + 1960).
W. M. B. Bosman, Zandvoort in de jaren 1 945-1965, Zandvoort 1965.
Dr. W. J. de Gruyter c.s., Herdenkingstentoonstelling Jozef Israëls,
1824-1911, Groningen 1961 (en Arnhem 1962).
164
Inhoud
7 Ten geleide
9 Zandvoort nu, W. M. B. Bosman
19 Geschiedenis van Zandvoort voordat het badplaats werd,
Dr. G. H. Kurtz
3 j Geschiedenis van Zandvoort nadat het badplaats werd,
P. van der Mije KCzn
5 5 De visserij en de oude kustplaatsen, C. V arkevisser
72 Het architektonisch verleden van Zandvoort,
Drs. R. C. Hekker
97 Het vroegere volksleven, Dr. Tj. W. R. de Haan
136 Van Jozef Israëls en andere schilders,
Dr. Tj. W. R. de Haan
153 Keizerin Elisabeth te Zandvoort. 1 8 84— '8 5
G. N. de Heer
1 J9 Kulturele verenigingen en instellingen
161 Epiloog, Dr. Tj. W. R. de Haan
163 Bibliografie, Dr. G. H. Kurtz